BWBR0004575
Geldig vanaf 1989-09-01
Artikel 33a
Wet op de waterhuishouding
1. De kwantiteitsbeheerder kan algemene regels stellen ten aanzien van het lozen van water in, het onttrekken van water aan, het afvoeren van water naar of het aanvoeren van water uit oppervlaktewateren waarover hij het beheer voert.
2. De regels kunnen enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot bijzondere beheersmaatregelen.
3. De regels kunnen het belang van de waterhuishouding beschermen voor zover het bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenof de Grondwaterwetbepaalde daarin niet voorziet.
4. De regels kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van werken afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van waterhoeveelheden. De regels kunnen betrekking hebben op alle of op bepaalde oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
5. De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin ingevolge artikel 24, eerste lid, een vergunning is vereist.
6. Het vijfde lid geldt niet voor zover de regels overgangsvoorzieningen betreffen voor gevallen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regels een vergunning was vereist ingevolge artikel 24, eerste lid.
7. Artikel 13is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de wijze van vaststelling van de regels. Artikel 15is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanwijzingen van Onze Minister omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in artikel 13, eerste lid.
2. De regels kunnen enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot bijzondere beheersmaatregelen.
3. De regels kunnen het belang van de waterhuishouding beschermen voor zover het bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewaterenof de Grondwaterwetbepaalde daarin niet voorziet.
4. De regels kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van werken afvoeren, aanvoeren, lozen of onttrekken van waterhoeveelheden. De regels kunnen betrekking hebben op alle of op bepaalde oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
5. De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin ingevolge artikel 24, eerste lid, een vergunning is vereist.
6. Het vijfde lid geldt niet voor zover de regels overgangsvoorzieningen betreffen voor gevallen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regels een vergunning was vereist ingevolge artikel 24, eerste lid.
7. Artikel 13is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de wijze van vaststelling van de regels. Artikel 15is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanwijzingen van Onze Minister omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in artikel 13, eerste lid.