BWBR0004552
Geldig vanaf 1989-10-01
Artikel 10
Scheepvaartreglement Eemsmonding
1. Schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen en voorwerpen, als bedoeld in Voorschrift 24, onderdeel g,van de Internationale Bepalingen, die gemeerd zijn, voeren, tenzij zij door andere lichtbronnen voldoende en permanent te onderscheiden zijn, de volgende lichten:
a. bij een lengte van minder dan 50 meter een wit rondom schijnend licht, midscheeps aan de zijde van het vaarwater of aan het het verst tot het vaarwater reikende einde, zoveel mogelijk ter hoogte van het dek, overeenkomstig het bepaalde in No. 4.1 van Hoofdstuk II van bijlage 1;
b. bij een lengte van 50 meter of meer steeds een wit rondom schijnend licht voor en achter aan de zijde van het vaarwater, zoveel mogelijk ter hoogte van het dek, overeenkomstig het bepaalde in No. 4.2 van Hoofdstuk II van bijlage 1.
2. Schepen die aan een meerboei overeenkomstig het bepaalde in E.7 van Hoofdstuk I van bijlage 1 liggen, voeren het optische teken van ten anker liggende schepen krachtens het bepaalde in Voorschrift 30 van de Internationale Bepalingen.
a. bij een lengte van minder dan 50 meter een wit rondom schijnend licht, midscheeps aan de zijde van het vaarwater of aan het het verst tot het vaarwater reikende einde, zoveel mogelijk ter hoogte van het dek, overeenkomstig het bepaalde in No. 4.1 van Hoofdstuk II van bijlage 1;
b. bij een lengte van 50 meter of meer steeds een wit rondom schijnend licht voor en achter aan de zijde van het vaarwater, zoveel mogelijk ter hoogte van het dek, overeenkomstig het bepaalde in No. 4.2 van Hoofdstuk II van bijlage 1.
2. Schepen die aan een meerboei overeenkomstig het bepaalde in E.7 van Hoofdstuk I van bijlage 1 liggen, voeren het optische teken van ten anker liggende schepen krachtens het bepaalde in Voorschrift 30 van de Internationale Bepalingen.