BWBR0004545
Geldig vanaf 1989-05-19
Artikel 3
Regeling superheffing SLOM-deelnemers
1. De voorlopige toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid vindt slechts plaats voor zover:
a. de producent zijn bedrijf niet heeft beëindigd overeenkomstig artikel 2, derde en vierde lid, van de Raadsverordening,
b. onverminderd het gestelde in artikel 4 de producent zijn bedrijf voor het verstrijken van de periode van niet in de handel brengen van melk- en zuivelprodukten of omschakeling niet in zijn geheel heeft overgedragen,
c. de producent blijkens de gegevens van de landbouwtelling alsmede andere daartoe strekkende bewijsstukken het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, op het moment van indiening van de aanvraag nog geheel of gedeeltelijk in eigendom, erfpacht of pacht had en als zodanig nog voor eigen rekening en risico exploiteerde en
2. De voorlopige toewijzing vindt slechts plaats voor zover de producent aantoont dat hij in staat is om de aangevraagde specifieke referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren.
Indien de producent op het moment van indiening van de aanvraag blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 nog over minimaal 60% van de grond van het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, beschikt wordt hij geacht in staat te zijn de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te kunnen produceren.
Indien de producent op het moment van indiening van de aanvraag over een geringere oppervlakte beschikt van de grond van het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, kan elk van de volgende omstandigheden afzonderlijk als bewijs dat hij in staat is om de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren worden aangemerkt.
a. de rechtstreekse verkopen en/of leveringen, die hebben plaatsgevonden na afloop van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
b. het blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 aanwezig zijn van melkvee, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de commissieverordening;
c. het blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 aanwezig zijn van een oppervlakte grasland of een oppervlakte bestemd voor de teelt van voedergewassen op het bedrijf;
d. de nog aanwezige of door investeringen sinds het verstrijken van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, en vóór 2 juli 1991 gerealiseerde installaties en/of gebouwen ten behoeve van de melkveehouderij.
a. de producent zijn bedrijf niet heeft beëindigd overeenkomstig artikel 2, derde en vierde lid, van de Raadsverordening,
b. onverminderd het gestelde in artikel 4 de producent zijn bedrijf voor het verstrijken van de periode van niet in de handel brengen van melk- en zuivelprodukten of omschakeling niet in zijn geheel heeft overgedragen,
c. de producent blijkens de gegevens van de landbouwtelling alsmede andere daartoe strekkende bewijsstukken het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, op het moment van indiening van de aanvraag nog geheel of gedeeltelijk in eigendom, erfpacht of pacht had en als zodanig nog voor eigen rekening en risico exploiteerde en
2. De voorlopige toewijzing vindt slechts plaats voor zover de producent aantoont dat hij in staat is om de aangevraagde specifieke referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren.
Indien de producent op het moment van indiening van de aanvraag blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 nog over minimaal 60% van de grond van het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, beschikt wordt hij geacht in staat te zijn de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te kunnen produceren.
Indien de producent op het moment van indiening van de aanvraag over een geringere oppervlakte beschikt van de grond van het bedrijf waarop de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, betrekking had, kan elk van de volgende omstandigheden afzonderlijk als bewijs dat hij in staat is om de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren worden aangemerkt.
a. de rechtstreekse verkopen en/of leveringen, die hebben plaatsgevonden na afloop van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
b. het blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 aanwezig zijn van melkvee, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de commissieverordening;
c. het blijkens de gegevens van de landbouwtelling 1991 aanwezig zijn van een oppervlakte grasland of een oppervlakte bestemd voor de teelt van voedergewassen op het bedrijf;
d. de nog aanwezige of door investeringen sinds het verstrijken van de overeenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, en vóór 2 juli 1991 gerealiseerde installaties en/of gebouwen ten behoeve van de melkveehouderij.