BWBR0004545
Geldig vanaf 1989-05-19
Artikel 2
Regeling superheffing SLOM-deelnemers
1. Aan de producent;
a. die een overeenkomst is aangegaan als bedoeld in artikel 6 van het bestuursbesluit en
b. waarvan de verbintenis uit hoofde van de onder a genoemde overeenkomst ten einde liep na 31 december 1983 wordt met inachtneming van de EG-verordeningen en het bepaalde in deze regeling een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen.
2. Voorts wordt aan de producent:
a. waarvan de verbintenis uit hoofde van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overeenkomst ten einde liep in 1983, dan wel
b. die vóór 29 juni 1989 een bedrijf krachtens erfrecht dan wel op soortgelijke wijze van de rechtsvoorganger heeft verkregen, nadat diens verbintenis uit hoofde van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde overeenkomst in dan wel na 1983 is verstreken, met inachtneming van de EG-verordeningen en het bepaalde in deze regeling een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen.
3. De specifieke referentiehoeveelheid is, in geval van toewijzing van een referentiehoeveelheid, gelijk aan 80,57% en, in geval van toewijzing van een heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 7 van de Beschikking superheffing 1988, gelijk aan 97,61% van de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent is geleverd of verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag op grond van het bestuursbesluit zoals die is vastgesteld in de overeenkomst als bedoeld in artikel 6van het bestuursbesluit en waarvoor de producent het recht op premie niet heeft verloren.
4. Op de volgens het derde lid bepaalde specifieke referentiehoeveelheid worden de toewijzingen ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Beschikking superheffing met uitzondering van artikel 12, de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties (Stcrt. 1985, 109), de Beschikking aanvulling superheffing(Stcrt. 1986, 65) de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting(Stcrt. 1986, 92), de Beschikking superheffing 1985 (Stcrt. 118) en de Beschikking superheffing 1988 (Stcrt. 64) alsmede het derde lid van dit artikel zoals dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de onderhavige regeling luidde, in mindering gebracht.
5. De specifieke referentiehoeveelheid wordt voorlopig toegewezen voor een periode die eindigt uiterlijk op 29 maart 1991 dan wel, indien de aanvraag voor een specifieke referentiehoeveelheid pas na 1 juli 1991 kon worden ingediend, uiterlijk op 30 juni 1993.
6. De definitieve toewijzing van de totale voorlopig toegewezen specifieke referentiehoeveelheid vindt alleen plaats indien de producent in de in het vijfde lid bedoelde periodes de rechtstreekse verkoop en/of leveringen daadwerkelijk heeft hervat en daarin gedurende een periode van twaalf opeenvolgende maanden tenminste 80% van de voorlopige toegewezen specifieke referentiehoeveelheid heeft geproduceerd. Indien de producent in de in het vijfde lid bedoelde periodes gedurende twaalf opeenvolgende maanden minder dan 80% van de voorlopig toegewezen referentiehoeveelheid heeft geproduceerd is de definitieve toewijzing gelijk aan de daadwerkelijk rechtstreeks verkochte en/of geleverde hoeveelheid.
a. die een overeenkomst is aangegaan als bedoeld in artikel 6 van het bestuursbesluit en
b. waarvan de verbintenis uit hoofde van de onder a genoemde overeenkomst ten einde liep na 31 december 1983 wordt met inachtneming van de EG-verordeningen en het bepaalde in deze regeling een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen.
2. Voorts wordt aan de producent:
a. waarvan de verbintenis uit hoofde van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overeenkomst ten einde liep in 1983, dan wel
b. die vóór 29 juni 1989 een bedrijf krachtens erfrecht dan wel op soortgelijke wijze van de rechtsvoorganger heeft verkregen, nadat diens verbintenis uit hoofde van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde overeenkomst in dan wel na 1983 is verstreken, met inachtneming van de EG-verordeningen en het bepaalde in deze regeling een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen.
3. De specifieke referentiehoeveelheid is, in geval van toewijzing van een referentiehoeveelheid, gelijk aan 80,57% en, in geval van toewijzing van een heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 7 van de Beschikking superheffing 1988, gelijk aan 97,61% van de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent is geleverd of verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag op grond van het bestuursbesluit zoals die is vastgesteld in de overeenkomst als bedoeld in artikel 6van het bestuursbesluit en waarvoor de producent het recht op premie niet heeft verloren.
4. Op de volgens het derde lid bepaalde specifieke referentiehoeveelheid worden de toewijzingen ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Beschikking superheffing met uitzondering van artikel 12, de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties (Stcrt. 1985, 109), de Beschikking aanvulling superheffing(Stcrt. 1986, 65) de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting(Stcrt. 1986, 92), de Beschikking superheffing 1985 (Stcrt. 118) en de Beschikking superheffing 1988 (Stcrt. 64) alsmede het derde lid van dit artikel zoals dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de onderhavige regeling luidde, in mindering gebracht.
5. De specifieke referentiehoeveelheid wordt voorlopig toegewezen voor een periode die eindigt uiterlijk op 29 maart 1991 dan wel, indien de aanvraag voor een specifieke referentiehoeveelheid pas na 1 juli 1991 kon worden ingediend, uiterlijk op 30 juni 1993.
6. De definitieve toewijzing van de totale voorlopig toegewezen specifieke referentiehoeveelheid vindt alleen plaats indien de producent in de in het vijfde lid bedoelde periodes de rechtstreekse verkoop en/of leveringen daadwerkelijk heeft hervat en daarin gedurende een periode van twaalf opeenvolgende maanden tenminste 80% van de voorlopige toegewezen specifieke referentiehoeveelheid heeft geproduceerd. Indien de producent in de in het vijfde lid bedoelde periodes gedurende twaalf opeenvolgende maanden minder dan 80% van de voorlopig toegewezen referentiehoeveelheid heeft geproduceerd is de definitieve toewijzing gelijk aan de daadwerkelijk rechtstreeks verkochte en/of geleverde hoeveelheid.