BWBR0004417
Geldig vanaf 1997-08-20
Artikel 16
Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen
1. Voor het verkrijgen van toestemming voor de aanleg, inrichting en uitrusting van een zweefvliegterrein, moet een daartoe strekkend verzoek worden ingediend bij Onze Minister. Hierbij moeten tenminste de volgende gegevens worden overgelegd;
a. een overzichtstekening schaal 1:2500 waarop is aangegeven: 1°. de grens van het zweefvliegterrein;
2°. de lierbanen, opstelplaats(en) van de lier, startterrein(en), opstelplaats(en) en landingsterrein(en) van de zweefvliegtuigen, baan/banen voor motorzweefvliegtuig(en), alsmede het voor het publiek toegankelijk gedeelte van het zweefvliegterrein;
3°. de hindernishoogten rond het zweefvliegterrein in gebieden zoals aangegeven in het tweede lid onder h, i, j, k, l, o, p, en q;
4°. de plaats en afmetingen van opstallen in gebruik door de beheerder;
5°. de in- en uitvliegsectoren van de motorzweefvliegtuig(en);
1°. de grens van het zweefvliegterrein;
2°. de lierbanen, opstelplaats(en) van de lier, startterrein(en), opstelplaats(en) en landingsterrein(en) van de zweefvliegtuigen, baan/banen voor motorzweefvliegtuig(en), alsmede het voor het publiek toegankelijk gedeelte van het zweefvliegterrein;
3°. de hindernishoogten rond het zweefvliegterrein in gebieden zoals aangegeven in het tweede lid onder h, i, j, k, l, o, p, en q;
4°. de plaats en afmetingen van opstallen in gebruik door de beheerder;
5°. de in- en uitvliegsectoren van de motorzweefvliegtuig(en);
b. het type te gebruiken motorzweefvliegtuig(en);
c. een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het zweefvliegterrein;
d. een verklaring van geen bezwaar van de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken zweefvliegterrein is gelegen.
2. Het zweefvliegterrein moet in ieder geval aan de volgende voorschriften voldoen:
a. voor het opstijgen van zweefvliegtuigen moet een terrein beschikbaar zijn met een lengte ten minste gelijk aan de lengte van de lierkabel en een breedte van ten minste 150 meter, vrij van hindernissen en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
b. de opstelplaats van de lier moet op een afstand van ten minste 25 meter van de grens van het zweefvliegterrein zijn gelegen;
c. de lierkabel moet op de lierbaan in een rechte lijn kunnen worden uitgereden;
d. het startterrein moet een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van ten minste 50 meter hebben;
e. een opstelplaats voor zweefvliegtuigen moet terzijde van het startterrein zijn gelegen;
f. het landingsterrein moet een lengte van ten minste 75 meter en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen moet kunnen worden geland, per zweefvliegtuig een breedte van ten minste 30 meter hebben en welke niet zijn gesitueerd ter plaatse van lierbaan, startterrein en opstelplaatsen. Het landingsterrein moet zijn gemarkeerd met voor dit doel geschikte markeringen;
g. de terreingedeelten als genoemd onder d en f moeten voldoende vlak zijn om beschadigingen aan de zweefvliegtuigen te voorkomen, terwijl de gewashoogte maximaal 15 centimeter mag bedragen;
h. in de invliegsector van het landingsterrein mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van het landingsterrein als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand), en aansluit op het horizontale vlak als bedoeld onder k;
i. ter weerszijden van het landingsterrein mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van het landingsterrein als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak als bedoeld onder k;
j. de snijlijnen van de in h en i genoemde vlakken bepalen de divergentie van het vlak genoemd onder h;
k. binnen een gebied met een straal van 1200 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van het zweefvliegterrein mogen behoudens toestemming van Onze Minister, geen hindernissen steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 30 meter boven het hoogst gelegen grondvlak binnen het zweefvliegterrein;
l. in het geval een openbare weg of spoorweg in de nabijheid van de invliegsector(en) van het zweefvliegterrein aanwezig is, dan moet ter bepaling van de ligging van het landingsterrein met een hindernishoogte van 4,5 meter respectievelijk 5,5 meter boven die weg of spoorweg, rekening worden gehouden;
m. de windrichting moet op een van alle zijden zichtbare plaats zijn aangegeven door middel van een windzak of een vlag;
n. voor het landen en opstijgen van motorzweefvliegtuigen moet een baan beschikbaar zijn met een lengte van 300 meter en een breedte van 50 meter en voorzien van een voor dit doel geschikte markering welke afwijkt van die als genoemd in f. Deze baan moet zijn gelegen in een strook van 600 meter lengte en 60 meter breedte waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van tenminste 30 meter van het begin van de strook moet zijn gesitueerd;
o. in de in- en uitvliegsectoren van het landingsterrein dat wordt gebruikt door motorzweefvliegtuigen, mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de korte zijde van de onder n genoemde strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) tot een afstand van 600 meter;
p. ter weerszijden van de strook en de in- en uitvliegsectoren mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat vanaf de lange zijde van de strook oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) tot een afstand van 150 meter;
q. de snijlijnen van de onder o en p genoemde vlakken, bepalen de divergentie van het vlak onder o.
a. een overzichtstekening schaal 1:2500 waarop is aangegeven: 1°. de grens van het zweefvliegterrein;
2°. de lierbanen, opstelplaats(en) van de lier, startterrein(en), opstelplaats(en) en landingsterrein(en) van de zweefvliegtuigen, baan/banen voor motorzweefvliegtuig(en), alsmede het voor het publiek toegankelijk gedeelte van het zweefvliegterrein;
3°. de hindernishoogten rond het zweefvliegterrein in gebieden zoals aangegeven in het tweede lid onder h, i, j, k, l, o, p, en q;
4°. de plaats en afmetingen van opstallen in gebruik door de beheerder;
5°. de in- en uitvliegsectoren van de motorzweefvliegtuig(en);
1°. de grens van het zweefvliegterrein;
2°. de lierbanen, opstelplaats(en) van de lier, startterrein(en), opstelplaats(en) en landingsterrein(en) van de zweefvliegtuigen, baan/banen voor motorzweefvliegtuig(en), alsmede het voor het publiek toegankelijk gedeelte van het zweefvliegterrein;
3°. de hindernishoogten rond het zweefvliegterrein in gebieden zoals aangegeven in het tweede lid onder h, i, j, k, l, o, p, en q;
4°. de plaats en afmetingen van opstallen in gebruik door de beheerder;
5°. de in- en uitvliegsectoren van de motorzweefvliegtuig(en);
b. het type te gebruiken motorzweefvliegtuig(en);
c. een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het zweefvliegterrein;
d. een verklaring van geen bezwaar van de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken zweefvliegterrein is gelegen.
2. Het zweefvliegterrein moet in ieder geval aan de volgende voorschriften voldoen:
a. voor het opstijgen van zweefvliegtuigen moet een terrein beschikbaar zijn met een lengte ten minste gelijk aan de lengte van de lierkabel en een breedte van ten minste 150 meter, vrij van hindernissen en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
b. de opstelplaats van de lier moet op een afstand van ten minste 25 meter van de grens van het zweefvliegterrein zijn gelegen;
c. de lierkabel moet op de lierbaan in een rechte lijn kunnen worden uitgereden;
d. het startterrein moet een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van ten minste 50 meter hebben;
e. een opstelplaats voor zweefvliegtuigen moet terzijde van het startterrein zijn gelegen;
f. het landingsterrein moet een lengte van ten minste 75 meter en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen moet kunnen worden geland, per zweefvliegtuig een breedte van ten minste 30 meter hebben en welke niet zijn gesitueerd ter plaatse van lierbaan, startterrein en opstelplaatsen. Het landingsterrein moet zijn gemarkeerd met voor dit doel geschikte markeringen;
g. de terreingedeelten als genoemd onder d en f moeten voldoende vlak zijn om beschadigingen aan de zweefvliegtuigen te voorkomen, terwijl de gewashoogte maximaal 15 centimeter mag bedragen;
h. in de invliegsector van het landingsterrein mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van het landingsterrein als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand), en aansluit op het horizontale vlak als bedoeld onder k;
i. ter weerszijden van het landingsterrein mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van het landingsterrein als basis, oploopt met een helling van 1:2 (hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak als bedoeld onder k;
j. de snijlijnen van de in h en i genoemde vlakken bepalen de divergentie van het vlak genoemd onder h;
k. binnen een gebied met een straal van 1200 meter vanuit de vastgestelde geografische positie van het zweefvliegterrein mogen behoudens toestemming van Onze Minister, geen hindernissen steken door een denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 30 meter boven het hoogst gelegen grondvlak binnen het zweefvliegterrein;
l. in het geval een openbare weg of spoorweg in de nabijheid van de invliegsector(en) van het zweefvliegterrein aanwezig is, dan moet ter bepaling van de ligging van het landingsterrein met een hindernishoogte van 4,5 meter respectievelijk 5,5 meter boven die weg of spoorweg, rekening worden gehouden;
m. de windrichting moet op een van alle zijden zichtbare plaats zijn aangegeven door middel van een windzak of een vlag;
n. voor het landen en opstijgen van motorzweefvliegtuigen moet een baan beschikbaar zijn met een lengte van 300 meter en een breedte van 50 meter en voorzien van een voor dit doel geschikte markering welke afwijkt van die als genoemd in f. Deze baan moet zijn gelegen in een strook van 600 meter lengte en 60 meter breedte waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van tenminste 30 meter van het begin van de strook moet zijn gesitueerd;
o. in de in- en uitvliegsectoren van het landingsterrein dat wordt gebruikt door motorzweefvliegtuigen, mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat met de korte zijde van de onder n genoemde strook als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) tot een afstand van 600 meter;
p. ter weerszijden van de strook en de in- en uitvliegsectoren mogen geen hindernissen steken door een denkbeeldig vlak dat vanaf de lange zijde van de strook oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) tot een afstand van 150 meter;
q. de snijlijnen van de onder o en p genoemde vlakken, bepalen de divergentie van het vlak onder o.