BWBR0004397
Geldig vanaf 1988-10-01
Artikel 5
Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedebouwkundige en interieurarchitect
Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als stedebouwkundige in aanmerking, indien zijn opleiding ten minste de verwerving waarborgt van:
a. het vermogen om informatie vanuit andere bij de ruimtelijke ordening betrokken disciplines om te zetten in ruimtelijke constructies en ontwerpen van ruimtelijke concepten;
b. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de stedebouw en van de relatie met andere disciplines;
c. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht;
d. passende kennis van de inhoud van andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, te weten architectuur, volkshuisvesting en tuinen landschapsarchitectuur;
e. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk concept voor stedebouw de relatie tussen mensen en ruimten en de afstemming daarvan op menselijke behoeften en maatstaven te betrekken;
f. inzicht in het beroep van stedebouwkundige en de rol van de stedebouwkundige in de maatschappij;
g. inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedebouwkundig onderzoek en de voorbereiding van projecten;
h. vaardigheden op de gebieden van ruimtelijke planning en stedebouwkundig ontwerp, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedebouwkundige verschijnselen en oplossingen;
i. passende kennis van sociaal-maatschappelijke processen, ontwikkelingen en randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien van culturele en ruimtelijk morfologische ontwikkelingen, de leefomgeving, de natuur en het milieu;
j. passende kennis van de maatschappijwetenschappen, sociale en historische geografie, landschapskunde, ecologie, civiele techniek en de economie, alsmede van het ruimtelijk en stedebouwkundig recht;
k. passende kennis van de organisatie, de middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningsniveaus in Nederland;
l. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om het plan en ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken, en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.
a. het vermogen om informatie vanuit andere bij de ruimtelijke ordening betrokken disciplines om te zetten in ruimtelijke constructies en ontwerpen van ruimtelijke concepten;
b. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de stedebouw en van de relatie met andere disciplines;
c. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht;
d. passende kennis van de inhoud van andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, te weten architectuur, volkshuisvesting en tuinen landschapsarchitectuur;
e. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk concept voor stedebouw de relatie tussen mensen en ruimten en de afstemming daarvan op menselijke behoeften en maatstaven te betrekken;
f. inzicht in het beroep van stedebouwkundige en de rol van de stedebouwkundige in de maatschappij;
g. inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedebouwkundig onderzoek en de voorbereiding van projecten;
h. vaardigheden op de gebieden van ruimtelijke planning en stedebouwkundig ontwerp, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedebouwkundige verschijnselen en oplossingen;
i. passende kennis van sociaal-maatschappelijke processen, ontwikkelingen en randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien van culturele en ruimtelijk morfologische ontwikkelingen, de leefomgeving, de natuur en het milieu;
j. passende kennis van de maatschappijwetenschappen, sociale en historische geografie, landschapskunde, ecologie, civiele techniek en de economie, alsmede van het ruimtelijk en stedebouwkundig recht;
k. passende kennis van de organisatie, de middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningsniveaus in Nederland;
l. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om het plan en ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken, en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.