BWBR0004397
Geldig vanaf 1988-10-01
Artikel 2
Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedebouwkundige en interieurarchitect
Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als architect in aanmerking, indien zijn opleiding ten minste de verwerving waarborgt van:
a. het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet;
b. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen, evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen voor zover die van invloed kunnen zijn op het vakgebied van de architectonische vormgeving;
c. kennis van de beeldende kunsten voor zover die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de architectonische vormgeving;
d. passende kennis van stedebouw, planologie en daarbij gebruikte technieken;
e. inzicht in de relatie tussen mensen en architectonische constructies en tussen architectonische constructies en hun omgeving, alsmede in de noodzaak om architectonische constructies en de ruimten daartussen af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
f. inzicht in het architectenberoep en de rol van de architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het maken van projecten waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren;
g. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek en voorbereiding van een project;
h. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
i. passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken, alsmede van de functie van een bouwwerk met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden;
j. technische bekwaamheid als ontwerper, ten einde binnen de door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van het betrokken gebouw;
k. passende kennis van de industrieën, organisaties en procedures die een rol spelen bij het omzetten van ontwerpen in bouwwerken en het inpassen van plannen in de planologie;
l. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een ontwerp en plan inzichtelijk te maken voor anderen, en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.
a. het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet;
b. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen, evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen voor zover die van invloed kunnen zijn op het vakgebied van de architectonische vormgeving;
c. kennis van de beeldende kunsten voor zover die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de architectonische vormgeving;
d. passende kennis van stedebouw, planologie en daarbij gebruikte technieken;
e. inzicht in de relatie tussen mensen en architectonische constructies en tussen architectonische constructies en hun omgeving, alsmede in de noodzaak om architectonische constructies en de ruimten daartussen af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
f. inzicht in het architectenberoep en de rol van de architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het maken van projecten waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren;
g. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek en voorbereiding van een project;
h. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
i. passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken, alsmede van de functie van een bouwwerk met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden;
j. technische bekwaamheid als ontwerper, ten einde binnen de door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van het betrokken gebouw;
k. passende kennis van de industrieën, organisaties en procedures die een rol spelen bij het omzetten van ontwerpen in bouwwerken en het inpassen van plannen in de planologie;
l. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een ontwerp en plan inzichtelijk te maken voor anderen, en
m. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming.