BWBR0004365
Geldig vanaf 2022-01-01
Artikel 13
Loodsenwet
1. Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder tot taak:
a. met betrekking tot het beroep van registerloods: 1°. er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid;
2°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
3°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn;
1°. er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid;
2°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
3°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn;
b. het ten behoeve van de verlening van een vrijstelling of ontheffing van de loodsplicht, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, leveren van een aandeel bij de opleiding en examinering van personen die een dergelijke ontheffing aanvragen.
c. het voorbereiden van ledenvergaderingen.
2. De taken, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3° of 5°.
a. met betrekking tot het beroep van registerloods: 1°. er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid;
2°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
3°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn;
1°. er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid;
2°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
3°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn;
b. het ten behoeve van de verlening van een vrijstelling of ontheffing van de loodsplicht, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, leveren van een aandeel bij de opleiding en examinering van personen die een dergelijke ontheffing aanvragen.
c. het voorbereiden van ledenvergaderingen.
2. De taken, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3° of 5°.