BWBR0004091
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 3
Inkomensbesluit IOAW
1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringenwordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566), de Ziektewet (Stb. 1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (Stb. 1986, 562);
c. een aanvulling op de in onderdeel b genoemde uitkeringen;
d. opbrengst van arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze opbrengst, met een maximum van € 291,04 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566), de Ziektewet (Stb. 1967, 473) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet (Stb. 1986, 562);
c. een aanvulling op de in onderdeel b genoemde uitkeringen;
d. opbrengst van arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze opbrengst, met een maximum van € 291,04 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.