Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2018-01-16
ECLI:NL:CRVB:2018:233
Bestuursrecht
17/3384 NIOAW Datum uitspraak: 16 januari 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2017, 15/5749 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/2305 PW, plaatsgevonden op 6 december 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Sewtahal. In de zaak 16/2305 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2018. (getekend) F. Hoogendijk (getekend) C.A.E. Bon HD 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor een alleenstaande. Appellant woont in dezelfde woning als zijn moeder, [naam moeder] , die ten tijde hier van belang in aanvulling op haar ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ontving, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). 1.2. Bij besluit van 12 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college de hoogte van de uitkering van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd naar een bedrag van € 1.182,59 bruto per maand in verband met de toepassing van de zogenoemde kostendelersnorm. Daarbij heeft het college medegedeeld dat dit bedrag met ingang van 1 januari 2016 tot en met 1 januari 2019 jaarlijks stapsgewijs verder wordt verlaagd met 3% en vervolgens met 5%. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De IOAW betreft een specifieke aan de bijstandswetgeving verwante minimumregeling en voorziet in een inkomensvoorziening op bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers, geboren voor 1 januari 1965 en 50 jaar en ouder op het peilmoment of na afloop van hun werkloosheidsuitkering. 4.2. Met ingang van 1 januari 2015 is met artikel 22a van de PW de kostendelersnorm in de bijstand ingevoerd. De hoogte van de bijstandsnorm wordt daarbij volgens een wettelijk vastgelegde rekenformule afgestemd op het aantal personen dat in dezelfde woning als de bijstandsontvanger zijn hoofdverblijf heeft. 4.3. De kostendelersnorm is met ingang van 11 juli 2015 ook in de IOAW ingevoerd, met een eigen, van de bijstand afwijkende, systematiek. Deze systematiek is neergelegd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 63e van de IOAW en houdt, kort gezegd, in dat een afzonderlijke, lagere grondslag is opgenomen voor de alleenstaande werkloze werknemer die met één of meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Het aantal personen met wie de werkloze werknemer gezamenlijk hoofdverblijf heeft, is daarbij, anders dan in de PW, niet van belang. De grondslag van de IOAW-uitkering van de werkloze werknemer die met een of meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, wordt in de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2019 stapsgewijs verlaagd van 70% naar 50% van het referentieminimumloon per persoon. 4.4. Evenals in de PW heeft de wetgever in de IOAW uitzonderingen op de toepassing van de kostendelersnorm opgenomen. Zo is in artikel 5, achtste lid, van de IOAW opgenomen welke personen niet als kostendelende medebewoners in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de in 4.3 bedoelde grondslag voor de IOAW-uitkeringsgerechtigde. 4.5. Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de invoering van de kostendelersnorm in de PW en de minimumregelingen zoals de IOAW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8, 17, 41, 44, 62; C, blz. 11-12) ontleent de Raad dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm, maar ook bij de vaststelling van de hoogte van de uitkeringsnorm op grond van de minimumregelingen, zoals de IOAW, direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bijstandsnorm werd in die zin aangepast door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Met de invoering van de kostendelersnorm wordt bovendien nog rekening gehouden met het aantal kostendelende medebewoners binnen een woning, omdat de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Anders dan in de Wet werk en bijstand (WWB) werden de uitkeringsgrondslagen in de IOAW tot de invoering van de kostendelersnorm niet aangepast aan het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten. Met de invoering van de kostendelersnorm in de IOAW sluiten de uitkeringsgrondslagen beter aan bij de feitelijke kosten van het bestaan en de mate waarin mensen in staat zijn om de kosten met elkaar te delen, waarbij echter niet de verdergaande kostendelersnorm van de WWB is gevolgd. De kostendelende werkloze werknemer, ongeacht het aantal kostendelende medebewoners, ontvangt na een afbouwperiode nog 50% van de gehuwdengrondslag. Voor de gehuwden en ongehuwd samenwonenden die een gezamenlijke huishouding voeren, blijft de huidige gehuwdennorm in de PW en de grondslag voor gehuwden in de IOAW van toepassing. 4.6. Appellant heeft aangevoerd dat de kostendelersnorm niet van toepassing is, dan wel dat de kostendelersnorm in zijn geval buiten toepassing moet blijven. Deze grond slaagt niet. 4.6.1. Vaststaat dat appellant en zijn moeder in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en dat de in artikel 5, achtste lid, van de IOAW opgenomen uitzondering niet op hem van toepassing is. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college appellant en zijn moeder terecht heeft aangemerkt als kostendelers. Anders dan appellant meent, maakt het feit dat ook op de AIO-aanvulling van zijn moeder de kostendelersnorm is toegepast dit niet anders. Behoudens de eerdergenoemde uitzonderingssituaties wordt de kostendelersnorm toegepast op elke IOAW-gerechtigde indien deze de kosten kan delen met een medebewoner. Volgens vaste rechtspraak in het kader van de PW (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3871), die ook hier van belang is, spelen bij de toepassing van de kostendelersnorm de aard van het inkomen van elk van de kostendelende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386, die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt). Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, losstaan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). 4.6.2. De omstandigheid dat appellant en zijn moeder ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de IOAW niet als gehuwd maar als alleenstaanden zijn aan te merken, leidt niet tot een ander oordeel. Ook bij de totstandkoming van artikel 5 van de IOAW gaat de wetgever er in beginsel van uit dat bij gezamenlijk hoofdverblijf de bewoners kosten delen. De wetgever heeft bewust en met reden de van de leefvorm van het voeren van een gezamenlijke huishouding uitgezonderde personen in beginsel wel onder de regeling van de kostendelersnorm gebracht, omdat ook zij voordelen hebben door kosten te delen, ongeacht de redenen van samenwoning (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 6-7).