BWBR0003975
Geldig vanaf 1986-06-11
Artikel 4.2
Regeling typekeuring geluidproduktie bromfietsen
Het proefterrein moet bestaan uit een parcours dat is omgeven door een nagenoeg vlak terrein. Het proefparcours moet nagenoeg waterpas zijn en de rijbaan droog, terwijl deze zodanig moet zijn aangelegd dat bij het rijden de banden weinig geluid maken.
Het proefterrein mag tussen de geluidsbron en de microfoon tot 1dB afwijken van de voor een vrij geluidveld geldende voorwaarden. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zich binnen een straal van 50 m rond het middelpunt van het proefparcours geen grote geluidreflecterende vlakken bevinden, zoals omheiningen, rotsen, bruggen of gebouwen. De bodem van het terrein moet binnen een straal van ten minste 10 m rond het middelpunt van het parcours bestaan uit hard materiaal, zoals beton, asfalt of iedere andere materiaalsoort met gelijkwaardige geluideigenschappen.
Het oppervlak mag niet bedekt zijn met poedersneeuw, hoog gras, mulle grond of as. Er mag zich geen enkel obstakel in de buurt van de microfoon bevinden, dat het geluidveld kan beïnvloeden, en er mag zich niemand tussen de microfoon en de geluidbron opstellen.
De persoon die de meetapparatuur afleest moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze afwijkingen in de aanwijzing van het meetapparaat veroorzaakt.
Het proefterrein mag tussen de geluidsbron en de microfoon tot 1dB afwijken van de voor een vrij geluidveld geldende voorwaarden. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zich binnen een straal van 50 m rond het middelpunt van het proefparcours geen grote geluidreflecterende vlakken bevinden, zoals omheiningen, rotsen, bruggen of gebouwen. De bodem van het terrein moet binnen een straal van ten minste 10 m rond het middelpunt van het parcours bestaan uit hard materiaal, zoals beton, asfalt of iedere andere materiaalsoort met gelijkwaardige geluideigenschappen.
Het oppervlak mag niet bedekt zijn met poedersneeuw, hoog gras, mulle grond of as. Er mag zich geen enkel obstakel in de buurt van de microfoon bevinden, dat het geluidveld kan beïnvloeden, en er mag zich niemand tussen de microfoon en de geluidbron opstellen.
De persoon die de meetapparatuur afleest moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze afwijkingen in de aanwijzing van het meetapparaat veroorzaakt.