BWBR0003968
Geldig vanaf 2008-01-24
Artikel 49b
Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet
1. Het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag wordt, met uitzondering van de op grond van artikel 10vastgestelde pensioengrondslag en het invaliditeitspercentage, bedoeld in artikel 11, opnieuw vastgesteld:
a. wanneer de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de pensioengerechtigde in het huwelijk treedt of zijn huwelijk wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden van zijn echtgenoot;
c. wanneer de pensioengerechtigde duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot gaat leven;
d. wanneer een kind of pleegkind van de pensioengerechtigde meerderjarig wordt;
e. wanneer de pensioengerechtigde aanspraak maakt op de betaling uit een nieuwe bron van inkomsten, of
f. wanneer de pensioengerechtigde geen aanspraak meer kan maken op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder e en f, is van overeenkomstige toepassing op de inkomsten van de echtgenoot van de pensioengerechtigde, voor zover die inkomsten de hoogte van het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt genomen binnen 13 weken nadat de noodzakelijke gegevens ter kennis van de Sociale verzekeringsbank zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid te veel dan wel te weinig is uitbetaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel nabetaald. De terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank te bepalen termijnen plaatsvinden.
a. wanneer de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de pensioengerechtigde in het huwelijk treedt of zijn huwelijk wordt beëindigd door echtscheiding of overlijden van zijn echtgenoot;
c. wanneer de pensioengerechtigde duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot gaat leven;
d. wanneer een kind of pleegkind van de pensioengerechtigde meerderjarig wordt;
e. wanneer de pensioengerechtigde aanspraak maakt op de betaling uit een nieuwe bron van inkomsten, of
f. wanneer de pensioengerechtigde geen aanspraak meer kan maken op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd.
2. Het eerste lid, onder e en f, is van overeenkomstige toepassing op de inkomsten van de echtgenoot van de pensioengerechtigde, voor zover die inkomsten de hoogte van het buitengewoon pensioen of de garantietoeslag mede bepalen.
3. De beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt genomen binnen 13 weken nadat de noodzakelijke gegevens ter kennis van de Sociale verzekeringsbank zijn gebracht.
4. Hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid te veel dan wel te weinig is uitbetaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd of verrekend dan wel nabetaald. De terugvordering kan in door de Sociale verzekeringsbank te bepalen termijnen plaatsvinden.