BWBR0003862
Geldig vanaf 2015-11-11
Artikel 30
Besluit bekostiging WPO
1. Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien:
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>.
3. De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29.
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>.
3. De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29.