BWBR0003825
Geldig vanaf 1985-07-21
Artikel C7
Beschikking overgangsmaatregelen N.L.O.'s 1985
1. Voor degene die op 31 maart 1985 in het genot was van een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk 1-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, wordt een uitzicht vastgesteld indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het ontslag terzake waarvan hij een ontslaguitkering geniet is hem verleend op of na 1 augustus 1983;
b. het ontslag is verleend uit een betrekking als directeur, adjunct-directeur, hoofddocent of docent aan een nieuwe lerarenopleiding als bedoeld in artikel A1, tweede lid onder a;
c. de desbetreffende aanspraak op een ontslaguitkering is na de dag waarop het recht daarop is ingegaan zonder wezenlijke onderbreking blijven bestaan, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een wezenlijke onderbreking wordt aangemerkt. Het uitzicht wordt vastgesteld op de wijze als in artikel C2, eerste lid, is aangegeven met dien verstande dat in dit artikel in plaats van het in de kolommen A, C onderscheidenlijk E van dat artikellid vermelde salarisbedrag op 31 maart 1985 wordt gelezen: het salarisbedrag volgens de schaal en het salarisnummer op basis waarvan de desbetreffende ontslaguitkering is berekend.
2. Ten aanzien van degene die op 31 maart 1985 als directeur, adjunct-directeur, hoofddocent of docent in dienst was bij een nieuwe lerarenopleiding en aan wie met ingang van 1 april 1985 terzake van ontslag uit die betrekking een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 1-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelis toegekend, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in artikelC6 wordt de verklaring, bedoeld in dit artikel, afgegeven door de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Het bepaalde in artikelC6 is overigens van overeenkomstige toepassing.
a. het ontslag terzake waarvan hij een ontslaguitkering geniet is hem verleend op of na 1 augustus 1983;
b. het ontslag is verleend uit een betrekking als directeur, adjunct-directeur, hoofddocent of docent aan een nieuwe lerarenopleiding als bedoeld in artikel A1, tweede lid onder a;
c. de desbetreffende aanspraak op een ontslaguitkering is na de dag waarop het recht daarop is ingegaan zonder wezenlijke onderbreking blijven bestaan, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een wezenlijke onderbreking wordt aangemerkt. Het uitzicht wordt vastgesteld op de wijze als in artikel C2, eerste lid, is aangegeven met dien verstande dat in dit artikel in plaats van het in de kolommen A, C onderscheidenlijk E van dat artikellid vermelde salarisbedrag op 31 maart 1985 wordt gelezen: het salarisbedrag volgens de schaal en het salarisnummer op basis waarvan de desbetreffende ontslaguitkering is berekend.
2. Ten aanzien van degene die op 31 maart 1985 als directeur, adjunct-directeur, hoofddocent of docent in dienst was bij een nieuwe lerarenopleiding en aan wie met ingang van 1 april 1985 terzake van ontslag uit die betrekking een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 1-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelis toegekend, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in artikelC6 wordt de verklaring, bedoeld in dit artikel, afgegeven door de minister van Onderwijs en Wetenschappen. Het bepaalde in artikelC6 is overigens van overeenkomstige toepassing.