BWBR0003825
Geldig vanaf 1985-07-21
Artikel C1
Beschikking overgangsmaatregelen N.L.O.'s 1985
1. Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen C2 tot en met C5 van dit hoofdstuk en de artikelen V-P1, V-Q402, V-Q403, V-Q501, V-R404en V-R501 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelwordt voor de belanghebbende een uitzicht op salarisvaststelling na 31 maart 1985 vastgesteld volgens het schaalsalaris dat voor hem op 1 april 2000 zou hebben gegolden in de functie die hij op 31 maart 1985 vervulde volgens de salarisvoorschriften krachtens artikel 22 van de bekostigingsbeschikking van de desbetreffende nieuwe lerarenopleiding, zoals die op die datum luidden, voor zover dat schaalsalaris hoger zou zijn dan het hoogste bedrag in schaal 10 als bedoeld in bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.
2. Bij de toepassing van deze paragraaf blijft behoudens bij de bepaling van het minimum uitricht, bedoeld in artikelC5, buiten beschouwing het overgangsrecht als omschreven in artikel 2van de beschikking van de minister van Onderwijs en Wetenschappen van 23 juli 1981, kenmerk D1/AB 143.923.
3. Met de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, voor zover het bepaalde in artikelC7 zulks aangeeft, wordt gelijkgesteld degene die op 31 maart 1985 een ontslaguitkering genoot.
4. Het in het eerste lid bedoelde uitzicht wordt uitgedrukt in het nummer van de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger dan het schaalsalaris waarop uitzicht wordt gegeven, en het salarisnummer binnen die schaal waarbij dit schaalsalaris is vermeld.
2. Bij de toepassing van deze paragraaf blijft behoudens bij de bepaling van het minimum uitricht, bedoeld in artikelC5, buiten beschouwing het overgangsrecht als omschreven in artikel 2van de beschikking van de minister van Onderwijs en Wetenschappen van 23 juli 1981, kenmerk D1/AB 143.923.
3. Met de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, voor zover het bepaalde in artikelC7 zulks aangeeft, wordt gelijkgesteld degene die op 31 maart 1985 een ontslaguitkering genoot.
4. Het in het eerste lid bedoelde uitzicht wordt uitgedrukt in het nummer van de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger dan het schaalsalaris waarop uitzicht wordt gegeven, en het salarisnummer binnen die schaal waarbij dit schaalsalaris is vermeld.