BWBR0003804
Geldig vanaf 1985-07-10
Artikel 1
Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties
1. In de gevallen waarin er sprake is van een bedrijfsopvolgingssituatie en de produktie in 1983 ten gevolge van persoonlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode 1972 tot en met 1983 lager is ten opzichte van het jaar voorafgaand aan het optreden van de persoonlijke omstandigheden, een en ander naar het oordeel van de minister, kan, onder de voorwaarden en beperkingen genoemd in deze regeling, aanspraak worden gemaakt op een bijzondere hoeveelheid die afwijkt van de hoeveelheid als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van de Beschikking superheffing 1985.
2. Onder persoonlijke omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid, worden verstaan:
langdurige gehele of nagenoeg gehele arbeidsongeschiktheid of overlijden van de ondernemer of zijn meewerkende echtgenote, danwel
gevallen van langdurige ernstige ziekte en overlijden van gezinsleden van de ondernemer.
3. De produktiedaling, als bedoeld in het eerste lid, dient in 1983 tenminste 10% te bedragen ten opzichte van 1982 of 1981 indien de persoonlijke omstandigheden zich hebben voorgedaan in 1982 of 1983, dan wel tenminste 7% te bedragen ten opzichte van het jaar voorafgaande aan het optreden van de persoonlijke omstandigheden indien deze persoonlijke omstandigheden zich hebben voorgedaan in de periode 1972 tot en met 1981.
4. Een aanspraak wordt slechts erkend indien het jaar voorafgaande aan het optreden van de persoonlijke omstandigheden minimaal 15 melkkoeien op het bedrijf aanwezig waren en het bedrijf in dat jaar tenminste 60% van het totaal aantal standaardbedrijfseenheden in de melkveehouderij had volgens de gegevens van de meitelling.
2. Onder persoonlijke omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid, worden verstaan:
langdurige gehele of nagenoeg gehele arbeidsongeschiktheid of overlijden van de ondernemer of zijn meewerkende echtgenote, danwel
gevallen van langdurige ernstige ziekte en overlijden van gezinsleden van de ondernemer.
3. De produktiedaling, als bedoeld in het eerste lid, dient in 1983 tenminste 10% te bedragen ten opzichte van 1982 of 1981 indien de persoonlijke omstandigheden zich hebben voorgedaan in 1982 of 1983, dan wel tenminste 7% te bedragen ten opzichte van het jaar voorafgaande aan het optreden van de persoonlijke omstandigheden indien deze persoonlijke omstandigheden zich hebben voorgedaan in de periode 1972 tot en met 1981.
4. Een aanspraak wordt slechts erkend indien het jaar voorafgaande aan het optreden van de persoonlijke omstandigheden minimaal 15 melkkoeien op het bedrijf aanwezig waren en het bedrijf in dat jaar tenminste 60% van het totaal aantal standaardbedrijfseenheden in de melkveehouderij had volgens de gegevens van de meitelling.