BWBR0003768
Geldig vanaf 1999-06-30
Artikel 4
Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O.
1. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, wordt in deze regeling en de bijbehorende bijlagen onder het getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraalexamen verstaan het desbetreffende getuigschrift bedoeld in het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380) of het inhoudelijk daarmee overeenkomende getuigschrift bedoeld in het Academisch Statuut (Stb. 1921, 800).
2. Onder het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, dat in de bijlagen bij deze regeling wordt aangegeven met “bewijs van p.d.v.”, wordt verstaan de verklaring bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 217 van het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380), dat het bewijs is geleverd van voldoende pedagogisch-didactische scholing bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 215 van dat Statuut, of de overeenkomstige verklaring op grond van het Academisch Statuut (Stb. 1921, 800) of het Technische-Hogeschoolstatuut (Stb. 1958, 594).
3. In afwijking van het in het tweede lid bepaalde wordt, indien het betreft een getuigschrift of diploma van de Landbouwhogeschool, onder het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding verstaan de verklaring bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 22f van het Landbouwhogeschoolstatuut, dat het bewijs is geleverd van voldoende pedagogisch-didactische scholing bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in dat artikel.
2. Onder het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, dat in de bijlagen bij deze regeling wordt aangegeven met “bewijs van p.d.v.”, wordt verstaan de verklaring bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 217 van het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380), dat het bewijs is geleverd van voldoende pedagogisch-didactische scholing bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 215 van dat Statuut, of de overeenkomstige verklaring op grond van het Academisch Statuut (Stb. 1921, 800) of het Technische-Hogeschoolstatuut (Stb. 1958, 594).
3. In afwijking van het in het tweede lid bepaalde wordt, indien het betreft een getuigschrift of diploma van de Landbouwhogeschool, onder het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding verstaan de verklaring bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in artikel 22f van het Landbouwhogeschoolstatuut, dat het bewijs is geleverd van voldoende pedagogisch-didactische scholing bedoeld in dan wel overeenkomstig die bedoeld in dat artikel.