1. De bevoegdheid tot het geven van voortgezet onderwijs geldt, voor in kolom V van bijlage Ials zodanig aangegeven gevallen, indien de bezitter van het desbetreffende bewijs van bekwaamheid voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
de bezitter is tussen 1 april 1980 en 1 april 1985 als rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of leraar verbonden geweest aan een school voor voortgezet onderwijs;
de bezitter is tussen 1 april 1975 en 1 april 1980 met recht op enige wettelijke uitkering, ontslagen uit een betrekking als rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of leraar bij een school voor voortgezet onderwijs;
de bezitter is tussen 1 april 1975 en 1 april 1980, zonder recht op enige wettelijke uitkering, ontslagen uit een betrekking als rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of leraar bij een school voor voortgezet onderwijs.
2. De bevoegdheid heeft, indien het betreft de in het eerste lid onder a. en b. genoemde gevallen, betrekking op alle vakken waarvoor het desbetreffende bewijs van bekwaamheid, onder de in kolom V opgenomen voorwaarde, bevoegdheid verleent. Indien het betreft het geval in het eerste lid onder c. genoemd, geldt de bevoegdheid slechts indien de bezitter van het bewijs van bekwaamheid tussen 1 april 1975 en 1 april 1980 onderwijs heeft gegeven in het desbetreffende vak.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor de bewijzen van bekwaamheid die in bijlage Iniet zijn opgenomen, maar waaraan op 31 maart 1985 bij of krachtens de
Overgangswet W.V.O.bevoegdheid tot het geven van onderwijs was verbonden.