BWBR0003662
Geldig vanaf 1983-05-01
Artikel 3
Besluit gevolgen voor personeel van overgang opleidingsscholen
1. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 2, derde lid, heeft ten behoeve van het schooljaar 1983-1984 aanspraak op vergoeding door het Rijk voor personeel dat in dienst is van dat bevoegd gezag boven de vastgestelde formatie, indien en voor zover:
a. dit personeel op 31 juli 1983 was verbonden aan de school en niet daarna in verband met de omstandigheid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, elders een betrekking heeft gekregen;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor dit personeel niet groter is dan de vergoeding die zou gelden voor de bodemformatie, met dien verstande dat daarbij niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
2. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 2, vierde lid, heeft ten behoeve van het schooljaar 1983-1984 aanspraak op vergoeding door het Rijk voor personeel dat in dienst is van dat bevoegd gezag boven de vastgestelde formatie, indien en voor zover:
a. dit personeel op 31 juli 1983 was verbonden aan een opleidingsschool voor kleuterleidsters, een opleidingsschool voor onderwijzers of een scholengemeenschap en niet daarna in verband met de omstandigheid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, elders een betrekking heeft gekregen;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor dit personeel niet groter is dan de vergoeding die zou gelden voor de formatie, vastgesteld volgens het bepaalde bij of krachtens de besluiten, bedoeld in artikel 2, met dien verstande dat daarbij niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
3. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 2, vierde lid, heeft gedurende het schooljaar 1983-1984 aanspraak op vergoeding door het Rijk voor personeel dat in dienst is van dat bevoegd gezag boven de vastgestelde formatie, indien en voor zover:
a. Onze minister, voor zover het een bijzondere school betreft met inachtneming van de vrijheid van richting, van oordeel is dat het tweede lid op juiste wijze is toegepast;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor het personeel, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan de vergoeding die zou gelden voor de formatie, vastgesteld volgens het bepaalde bij of krachtens de besluiten, bedoeld in artikel 2.
4. Onze minister kan in gevallen waarin de toepassing van dit artikel tot kennelijke onbillijkheden leidt, voor zover het een rijksschool betreft, afwijken van het bepaalde in dit artikel en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, toestaan dat daarvan wordt afgeweken.
a. dit personeel op 31 juli 1983 was verbonden aan de school en niet daarna in verband met de omstandigheid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, elders een betrekking heeft gekregen;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor dit personeel niet groter is dan de vergoeding die zou gelden voor de bodemformatie, met dien verstande dat daarbij niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
2. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 2, vierde lid, heeft ten behoeve van het schooljaar 1983-1984 aanspraak op vergoeding door het Rijk voor personeel dat in dienst is van dat bevoegd gezag boven de vastgestelde formatie, indien en voor zover:
a. dit personeel op 31 juli 1983 was verbonden aan een opleidingsschool voor kleuterleidsters, een opleidingsschool voor onderwijzers of een scholengemeenschap en niet daarna in verband met de omstandigheid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, elders een betrekking heeft gekregen;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor dit personeel niet groter is dan de vergoeding die zou gelden voor de formatie, vastgesteld volgens het bepaalde bij of krachtens de besluiten, bedoeld in artikel 2, met dien verstande dat daarbij niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
3. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 2, vierde lid, heeft gedurende het schooljaar 1983-1984 aanspraak op vergoeding door het Rijk voor personeel dat in dienst is van dat bevoegd gezag boven de vastgestelde formatie, indien en voor zover:
a. Onze minister, voor zover het een bijzondere school betreft met inachtneming van de vrijheid van richting, van oordeel is dat het tweede lid op juiste wijze is toegepast;
b. de som van de vergoeding voor de vastgestelde formatie en de vergoeding voor het personeel, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan de vergoeding die zou gelden voor de formatie, vastgesteld volgens het bepaalde bij of krachtens de besluiten, bedoeld in artikel 2.
4. Onze minister kan in gevallen waarin de toepassing van dit artikel tot kennelijke onbillijkheden leidt, voor zover het een rijksschool betreft, afwijken van het bepaalde in dit artikel en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, toestaan dat daarvan wordt afgeweken.