BWBR0003662
Geldig vanaf 1983-05-01
Artikel 2
Besluit gevolgen voor personeel van overgang opleidingsscholen
1. Voor het schooljaar 1983-1984 wordt de formatie van het personeel aan de opleidingsscholen voor kleuterleidsters, aan de opleidingsscholen voor onderwijzers en aan de scholengemeenschappen vastgesteld volgens het bepaalde in de navolgende leden, voor zover nodig in afwijking van het daaromtrent bepaalde bij of krachtens het Besluit opleiding kleuterleidsters 1968 ( Stb.359), het Besluit opleiding onderwijzers ( Stb.1968, 358), het Besluit dagscholen v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. ( Stb.1967, 526) en het Rechtspositiebesluit W.V.O. ( Stb.1968, 377).
2. Voor elke school wordt een bodemformatie vastgesteld, die gelijk is aan de formatie die op 31 juli 1983 geldt voor de desbetreffende school, verminderd met 2,2 procent. Bij de vaststelling van de bodemformatie worden, voorafgaand aan de vermindering met genoemd percentage, tevens in mindering gebracht verschillen die voortvloeien uit de omstandigheid, dat met ingang van 1 augustus 1983 minder leerjaren van een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs aan de school zijn verbonden dan in het schooljaar 1982-1983. Onze minister geeft aan, welke bijzondere leseenheden, taakeenheden, diensteenheden en overige eenheden bij de vaststelling van de bodemformatie al dan niet worden meegeteld, met dien verstande dat in elk geval niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
3. Voor de scholen, waar de toepassing van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, zou leiden tot een formatie, kleiner dan de bodemformatie, bedoeld in het tweede lid, wordt de formatie vastgesteld volgens het bepaalde in die besluiten.
4. Voor de scholen, waar de toepassing van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, zou leiden tot een formatie, groter dan de bodemformatie, bedoeld in het tweede lid, is de formatie gelijk aan de bodemformatie.
5. Onder de besluiten, bedoeld in het derde en vierde lid, worden tevens begrepen de door Onze minister gegeven voorschriften omtrent de formatie ten behoeve van nascholing en applicatie.
2. Voor elke school wordt een bodemformatie vastgesteld, die gelijk is aan de formatie die op 31 juli 1983 geldt voor de desbetreffende school, verminderd met 2,2 procent. Bij de vaststelling van de bodemformatie worden, voorafgaand aan de vermindering met genoemd percentage, tevens in mindering gebracht verschillen die voortvloeien uit de omstandigheid, dat met ingang van 1 augustus 1983 minder leerjaren van een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs aan de school zijn verbonden dan in het schooljaar 1982-1983. Onze minister geeft aan, welke bijzondere leseenheden, taakeenheden, diensteenheden en overige eenheden bij de vaststelling van de bodemformatie al dan niet worden meegeteld, met dien verstande dat in elk geval niet worden meegeteld de garantie-eenheden waarvoor aanspraak op vergoeding bestaat.
3. Voor de scholen, waar de toepassing van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, zou leiden tot een formatie, kleiner dan de bodemformatie, bedoeld in het tweede lid, wordt de formatie vastgesteld volgens het bepaalde in die besluiten.
4. Voor de scholen, waar de toepassing van de besluiten, bedoeld in het eerste lid, zou leiden tot een formatie, groter dan de bodemformatie, bedoeld in het tweede lid, is de formatie gelijk aan de bodemformatie.
5. Onder de besluiten, bedoeld in het derde en vierde lid, worden tevens begrepen de door Onze minister gegeven voorschriften omtrent de formatie ten behoeve van nascholing en applicatie.