BWBR0003644
Geldig vanaf 1984-01-01
Artikel 4
Beschikking bijdragen werkgelegenheid in de bosbouw 1984–1985
1. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend indien uit anderen hoofde een bijdrage uit 's Rijks kas wordt verleend voor de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 2, tweede en derde lid en 3, tweede lid.
2. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend indien het bos is gelegen binnen de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Boswet (Stb. 1961, 256), dan wel, bij gebreke daarvan, aan alle zijden wordt begrensd door bebouwing.
3. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend indien het bos bestaat uit:
a. houtopstanden op erven en in tuinen;
b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
c. kweekgoed;
d. fijnsparren niet ouder dan 12 jaar bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in 't bijzonder bestemde terreinen.
4. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend voor het beplanten met soorten behorend tot de volgende geslachten:
Chaenomeles
Cotoneaster
Crataegus
Cydoma
Malus
Pyrus
Pyracantha
Sorbus, met uitzondering van S intermedia (Ehrh.) Pers.
Stranvaesia.
5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, kan een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden verleend voor de aanplant van soorten van het in het vierde lid genoemde geslacht Crataegus in een gebied dat naar het oordeel van de directeur als natuurgebied wordt beheerd of waarin naar het oordeel van de directeur de genoemde soorten bepalend en onvervangbaar zijn voor het landschap.
2. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend indien het bos is gelegen binnen de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Boswet (Stb. 1961, 256), dan wel, bij gebreke daarvan, aan alle zijden wordt begrensd door bebouwing.
3. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend indien het bos bestaat uit:
a. houtopstanden op erven en in tuinen;
b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
c. kweekgoed;
d. fijnsparren niet ouder dan 12 jaar bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in 't bijzonder bestemde terreinen.
4. Een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt niet verleend voor het beplanten met soorten behorend tot de volgende geslachten:
Chaenomeles
Cotoneaster
Crataegus
Cydoma
Malus
Pyrus
Pyracantha
Sorbus, met uitzondering van S intermedia (Ehrh.) Pers.
Stranvaesia.
5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, kan een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden verleend voor de aanplant van soorten van het in het vierde lid genoemde geslacht Crataegus in een gebied dat naar het oordeel van de directeur als natuurgebied wordt beheerd of waarin naar het oordeel van de directeur de genoemde soorten bepalend en onvervangbaar zijn voor het landschap.