BWBR0003552
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 21
Convenantfinancieringsregeling
1. Ten behoeve van de activiteiten van jeugdhulpverlening die door de Minister en de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen bij beschikking worden aangewezen kan gedurende een planperiode een specifieke rijksbijdrage worden verleend, voorzover naast de voorwaarden, gesteld in Hoofdstuk II, wordt voldaan aan de volgende aanvullende voorwaarden:
a. in het programma worden in een aparte paragraaf de aard en omvang van de jeugdhulpverlening aangegeven;
b. in de onder a, genoemde paragraaf wordt voorts aangegeven op welke wijze de samenhang wordt gerealiseerd tussen activiteiten van jeugdhulpverlening van ambulante, semi-residentiële en residentiële aard.
2. De in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt eerst verleend na overleg met de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen en gehoord de Interdepartementale Werkgroep Residentiële Voorzieningen voor jeugdigen en de Interdepartementale Werkgroep Ambulante en Preventieve Voorzieningen voor jeugdigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage wordt rekening gehouden met een vermindering dan wel vermeerdering van de omvang van de voor jeugdhulpverlening gemaakte kosten.
3. Na afloop van de eerste planperiode wordt verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde activiteiten geregeld op grond van het gestelde in hoofdstuk II.
a. in het programma worden in een aparte paragraaf de aard en omvang van de jeugdhulpverlening aangegeven;
b. in de onder a, genoemde paragraaf wordt voorts aangegeven op welke wijze de samenhang wordt gerealiseerd tussen activiteiten van jeugdhulpverlening van ambulante, semi-residentiële en residentiële aard.
2. De in het eerste lid bedoelde bijdrage wordt eerst verleend na overleg met de Ministers van Justitie en Onderwijs en Wetenschappen en gehoord de Interdepartementale Werkgroep Residentiële Voorzieningen voor jeugdigen en de Interdepartementale Werkgroep Ambulante en Preventieve Voorzieningen voor jeugdigen. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage wordt rekening gehouden met een vermindering dan wel vermeerdering van de omvang van de voor jeugdhulpverlening gemaakte kosten.
3. Na afloop van de eerste planperiode wordt verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde activiteiten geregeld op grond van het gestelde in hoofdstuk II.