BWBR0003500
Geldig vanaf 1982-07-01
Artikel 5
Regelen omtrent de voorbereiding en inrichting van waterkwaliteitsplannen
In de uiteenzetting op de in artikel 4, eerste lid, omschreven hoofdelementen van het waterkwaliteitsplan wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan:
a. de onderlinge afstemming van het beleid ten aanzien van het kwaliteitsbeheer en dat ten aanzien van het kwantiteitsbeheer;
b. de onderlinge afstemming tussen het beleid ten aanzien van het kwaliteitsbeheer in het plangebied en dat in de aangrenzende plangebieden alsmede, in voorkomend geval, dat in het aangrenzende Duitse of Belgische gebied;
c. de onderlinge afstemming tussen het waterkwaliteitsplan en andere milieuplannen onderscheidenlijk tussen het waterkwaliteitsplan en ruimtelijke plannen;
d. de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op de waterkwaliteit, indien deze ertoe leiden dat aan kwaliteitsdoelstellingen een of meer kwaliteitsnormen worden verbonden die minder streng zijn dan de overeenkomstige normen die bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 13 van de Wet zijn vastgesteld doch ten aanzien waarvan bij die algemene maatregel van bestuur zodanige afwijking is toegelaten;
e. het financieel-economisch aspect van het plan vanwege de daaruit voortvloeiende lasten voor de beheerder van de oppervlaktewateren in het plangebied en voor degenen die op die oppervlaktewateren direct of indirect stoffen lozen;
f. de bezwaren die tijdig tegen het ontwerp-waterkwaliteitsplan zijn ingediend.
a. de onderlinge afstemming van het beleid ten aanzien van het kwaliteitsbeheer en dat ten aanzien van het kwantiteitsbeheer;
b. de onderlinge afstemming tussen het beleid ten aanzien van het kwaliteitsbeheer in het plangebied en dat in de aangrenzende plangebieden alsmede, in voorkomend geval, dat in het aangrenzende Duitse of Belgische gebied;
c. de onderlinge afstemming tussen het waterkwaliteitsplan en andere milieuplannen onderscheidenlijk tussen het waterkwaliteitsplan en ruimtelijke plannen;
d. de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op de waterkwaliteit, indien deze ertoe leiden dat aan kwaliteitsdoelstellingen een of meer kwaliteitsnormen worden verbonden die minder streng zijn dan de overeenkomstige normen die bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 13 van de Wet zijn vastgesteld doch ten aanzien waarvan bij die algemene maatregel van bestuur zodanige afwijking is toegelaten;
e. het financieel-economisch aspect van het plan vanwege de daaruit voortvloeiende lasten voor de beheerder van de oppervlaktewateren in het plangebied en voor degenen die op die oppervlaktewateren direct of indirect stoffen lozen;
f. de bezwaren die tijdig tegen het ontwerp-waterkwaliteitsplan zijn ingediend.