BWBR0003500
Geldig vanaf 1982-07-01
Artikel 2
Regelen omtrent de voorbereiding en inrichting van waterkwaliteitsplannen
1. Bij de voorbereiding van een waterkwaliteitsplan worden geraadpleegd:
a. de beheerders van oppervlaktewateren die naar het oordeel van het gezag dat met de voorbereiding van het plan is belast rechtstreeks belang hebben bij het kwaliteitsbeheer van de oppervlaktewateren in het vast te stellen plangebied, dan wel wier beleid naar het oordeel van dat gezag van rechtstreeks belang is voor dat kwaliteitsbeheer;
b. de besturen der provincies waarover het plangebied zich uitstrekt en de besturen der provincies die aan het plangebied grenzen, dan wel, indien het betreft een door provinciale staten vast te stellen waterkwaliteitsplan, de besturen der provincies die aan het plangebied grenzen;
c. de besturen der gemeenten waarover het plangebied zich uitstrekt en de besturen der gemeenten die aan het plangebied grenzen;
d. de Ministers van Landbouw en Visserij, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, dan wel, indien het een door provinciale staten vast te stellen waterkwaliteitsplan betreft, de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de eerdergenoemde Ministers.
2. Indien in het vast te stellen plangebied grensvormende of grensoverschrijdende oppervlaktewateren zijn gelegen, worden de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse en Belgische autoriteiten geraadpleegd.
3. Geraadpleegd worden voorts de betrokken Kamers van Koophandel en Fabrieken, het Landbouwschap, alsmede landelijke of provinciale organisaties op het gebied van het milieu, waterleidingbedrijven, houders van zweminrichtingen en andere organisaties en instellingen die daarvoor in aanmerking komen naar het oordeel van het gezag dat met de voorbereiding van het plan is belast.
a. de beheerders van oppervlaktewateren die naar het oordeel van het gezag dat met de voorbereiding van het plan is belast rechtstreeks belang hebben bij het kwaliteitsbeheer van de oppervlaktewateren in het vast te stellen plangebied, dan wel wier beleid naar het oordeel van dat gezag van rechtstreeks belang is voor dat kwaliteitsbeheer;
b. de besturen der provincies waarover het plangebied zich uitstrekt en de besturen der provincies die aan het plangebied grenzen, dan wel, indien het betreft een door provinciale staten vast te stellen waterkwaliteitsplan, de besturen der provincies die aan het plangebied grenzen;
c. de besturen der gemeenten waarover het plangebied zich uitstrekt en de besturen der gemeenten die aan het plangebied grenzen;
d. de Ministers van Landbouw en Visserij, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, dan wel, indien het een door provinciale staten vast te stellen waterkwaliteitsplan betreft, de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de eerdergenoemde Ministers.
2. Indien in het vast te stellen plangebied grensvormende of grensoverschrijdende oppervlaktewateren zijn gelegen, worden de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse en Belgische autoriteiten geraadpleegd.
3. Geraadpleegd worden voorts de betrokken Kamers van Koophandel en Fabrieken, het Landbouwschap, alsmede landelijke of provinciale organisaties op het gebied van het milieu, waterleidingbedrijven, houders van zweminrichtingen en andere organisaties en instellingen die daarvoor in aanmerking komen naar het oordeel van het gezag dat met de voorbereiding van het plan is belast.