BWBR0003500
Geldig vanaf 1982-07-01
Artikel 3
Regelen omtrent de voorbereiding en inrichting van waterkwaliteitsplannen
1. Bij de voorbereiding van een waterkwaliteitsplan vindt een onderzoek plaats, dat ten minste omvat:
a. het resultaat van het beleid, dat ten aanzien van het kwaliteitsbeheer in de voorafgaande planperiode is gevoerd;
b. de bestaande en te verwachten lozingen op de oppervlaktewateren die zijn gelegen binnen het vast te stellen plangebied;
c. de bestaande functies en de bestaande waterkwaliteit van die oppervlaktewateren;
d. de bij de functies en de waterkwaliteit van die oppervlaktewateren betrokken belangen;
e. de uit die belangen voortvloeiende wensen ten aanzien van de functies en de waterkwaliteit van die oppervlaktewateren;
f. de technische mogelijkheden tot verwezenlijking van de onder e bedoelde wensen in de planperiode of daarna;
g. de kosten van investeringen die ter verwezenlijking van de onder e bedoelde wensen zouden moeten worden gedaan door de beheerders van die oppervlaktewateren en door degenen die op die oppervlaktewateren direct of indirect stoffen lozen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt voor de eerste vaststelling van het waterkwaliteitsplan als voorafgaande planperiode aangemerkt een periode van ten minste vijf jaar die voorafgaande aan de eerste planperiode is verstreken.
a. het resultaat van het beleid, dat ten aanzien van het kwaliteitsbeheer in de voorafgaande planperiode is gevoerd;
b. de bestaande en te verwachten lozingen op de oppervlaktewateren die zijn gelegen binnen het vast te stellen plangebied;
c. de bestaande functies en de bestaande waterkwaliteit van die oppervlaktewateren;
d. de bij de functies en de waterkwaliteit van die oppervlaktewateren betrokken belangen;
e. de uit die belangen voortvloeiende wensen ten aanzien van de functies en de waterkwaliteit van die oppervlaktewateren;
f. de technische mogelijkheden tot verwezenlijking van de onder e bedoelde wensen in de planperiode of daarna;
g. de kosten van investeringen die ter verwezenlijking van de onder e bedoelde wensen zouden moeten worden gedaan door de beheerders van die oppervlaktewateren en door degenen die op die oppervlaktewateren direct of indirect stoffen lozen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt voor de eerste vaststelling van het waterkwaliteitsplan als voorafgaande planperiode aangemerkt een periode van ten minste vijf jaar die voorafgaande aan de eerste planperiode is verstreken.