BWBR0003413
Geldig vanaf 1981-07-27
Artikel 10
Wet voogdij minderjarige Koning
1. In deze voogdij wordt geen toeziende voogd benoemd.
2. De werkzaamheden, die het gemene burgerlijk recht aan de toeziende voogd opdraagt, worden verricht door de Raad van Voogdij.
3. Telkenmale wanneer de bepalingen van het gemene burgerlijk recht de tegenwoordigheid of het verhoor, hetzij van de toeziende voogd, hetzij van de bloed- of aanverwanten van de minderjarige, hetzij van beiden vorderen, treedt in deze voogdij de tegenwoordigheid of het verhoor van de Raad van Voogdij, vertegenwoordigd door zijn voorzitter of door een zijner daartoe door de Raad gemachtigde leden, hiervoor in de plaats.
2. De werkzaamheden, die het gemene burgerlijk recht aan de toeziende voogd opdraagt, worden verricht door de Raad van Voogdij.
3. Telkenmale wanneer de bepalingen van het gemene burgerlijk recht de tegenwoordigheid of het verhoor, hetzij van de toeziende voogd, hetzij van de bloed- of aanverwanten van de minderjarige, hetzij van beiden vorderen, treedt in deze voogdij de tegenwoordigheid of het verhoor van de Raad van Voogdij, vertegenwoordigd door zijn voorzitter of door een zijner daartoe door de Raad gemachtigde leden, hiervoor in de plaats.