BWBR0003246
Geldig vanaf 1979-08-14
Artikel 19
Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978
1. Onverminderd het in artikel 13, onder a tot en met fbepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in artikel 18, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door een ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst maakt, indien nodig, van deze aantekening melding in de ligger.
3. Indien het een binnenvaartuig betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van het land dat de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening. Zonder deze schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief eveneens mogelijk, echter voorlopig, met een geldigheid van niet meer dan drie maanden. Een dergelijke aantekening dient in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief te worden gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid dient te worden vermeld.
Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst geeft aan zijn ambtgenoot in het andere land van de aantekening kennis.
4. Voor de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening worden kosten gerekend volgens het krachtens artikel 12c, derde lid, van de Binnenschepenwetvastgestelde tarief.
2. Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst maakt, indien nodig, van deze aantekening melding in de ligger.
3. Indien het een binnenvaartuig betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van het land dat de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening. Zonder deze schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief eveneens mogelijk, echter voorlopig, met een geldigheid van niet meer dan drie maanden. Een dergelijke aantekening dient in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief te worden gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid dient te worden vermeld.
Het Hoofd van de Scheepsmetingsdienst geeft aan zijn ambtgenoot in het andere land van de aantekening kennis.
4. Voor de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening worden kosten gerekend volgens het krachtens artikel 12c, derde lid, van de Binnenschepenwetvastgestelde tarief.