BWBR0003163
Geldig vanaf 1977-07-01
Artikel 5
Liquidatiewet Oorlogs- en Watersnoodschade II
1. De in artikel 19, eerste lid, en artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden bedoelde bestedingsplicht vervalt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. Zo spoedig mogelijk daarna betaalt de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw, voor zover zulks nog niet is geschied, de bijdragen waarop de in het vorige lid genoemde artikelen betrekking hebben, aan de bekende rechthebbenden in geld uit.
3. De door artikel 16 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden voorgeschreven inschrijving van de aldaar bedoelde bijdragen in het Grootboek voor de Wederopbouw blijft, indien deze inschrijving op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet tot stand is gebracht, achterwege. Uitbetaling van deze bijdragen in geld door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening treedt daarvoor in de plaats. Gelijktijdig vindt betaling plaats van de rente welke ingevolge artikel 45 van die wet bij inschrijving van de bijdragen verschuldigd zou zijn. Onze voornoemde Minister oefent ten aanzien van deze bijdragen voor zover mogelijk de taak en de bevoegdheden uit van de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 2 van Hoofdstuk IV en Afdeling 1 van Hoofdstuk V van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden; deze afdelingen zijn eveneens voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de rechten en plichten van de rechthebbenden en van hypothecaire schuldeisers en andere zakelijk gerechtigden.
4. Indien en voorzover voldoening aan een bestedingsplicht welke ingevolge het eerste lid vervalt, de grondslag is of had kunnen zijn voor de verlening van een krediet, een rentevergoeding of een aanvullende bijdrage, als bedoeld zijn in Hoofdstuk VI van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, blijft een besteding van de bijdrage, als door de artikelen 19-21 van die wet voorgeschreven, voor die verlening vereist.
2. Zo spoedig mogelijk daarna betaalt de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw, voor zover zulks nog niet is geschied, de bijdragen waarop de in het vorige lid genoemde artikelen betrekking hebben, aan de bekende rechthebbenden in geld uit.
3. De door artikel 16 van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden voorgeschreven inschrijving van de aldaar bedoelde bijdragen in het Grootboek voor de Wederopbouw blijft, indien deze inschrijving op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet tot stand is gebracht, achterwege. Uitbetaling van deze bijdragen in geld door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening treedt daarvoor in de plaats. Gelijktijdig vindt betaling plaats van de rente welke ingevolge artikel 45 van die wet bij inschrijving van de bijdragen verschuldigd zou zijn. Onze voornoemde Minister oefent ten aanzien van deze bijdragen voor zover mogelijk de taak en de bevoegdheden uit van de Directeur van het Grootboek voor de Wederopbouw overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 2 van Hoofdstuk IV en Afdeling 1 van Hoofdstuk V van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden; deze afdelingen zijn eveneens voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de rechten en plichten van de rechthebbenden en van hypothecaire schuldeisers en andere zakelijk gerechtigden.
4. Indien en voorzover voldoening aan een bestedingsplicht welke ingevolge het eerste lid vervalt, de grondslag is of had kunnen zijn voor de verlening van een krediet, een rentevergoeding of een aanvullende bijdrage, als bedoeld zijn in Hoofdstuk VI van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, blijft een besteding van de bijdrage, als door de artikelen 19-21 van die wet voorgeschreven, voor die verlening vereist.