BWBR0003081
Geldig vanaf 2014-12-18
Artikel 19
Wet op de dierproeven
1. Er is een nationaal comité voor de bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden.
2. Het nationaal comité vervult de volgende taken:
a. adviseert Onze Minister, de centrale commissie dierproeven en de instanties voor dierenwelzijn over de aanschaf, de fok, de huisvesting, de verzorging, en het gebruik van dieren in dierproeven;
b. zorgt voor de verspreiding van de beste praktijken;
c. wisselt met de nationale comités van andere lidstaten informatie uit over het functioneren van de instanties voor dierenwelzijn, de beoordeling van projectvoorstellen en draagt zorg voor het verspreiden van de beste praktijken binnen de Europese Unie;
d. andere door Onze Minister opgedragen taken.
3. Het nationaal comité bestaat uit ten hoogste tien leden. Artikel 12 van de Kaderwet adviescollegesis van overeenkomstige toepassing.
4. Voor elk lid kan een plaatsvervangend lid worden benoemd.
5. De leden van het comité worden door Onze Minister voor een periode van vijf jaar benoemd en kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen. Na het verstrijken van de termijn waarvoor de leden benoemd zijn, kunnen zij aansluitend voor een periode van ten hoogste vijf jaar herbenoemd worden.
6. Het comité wijst uit haar midden een of twee plaatsvervangers voor de voorzitter aan.
7. Het comité regelt haar werkwijze bij reglement.
8. Onze Minister stelt ten behoeve van de uitvoering van de in het tweede lid, bedoelde taken, personeel ter beschikking van de commissie.
9. Artikel 2 van de Wet vergoeding adviescolleges en commissiesis van overeenkomstige toepassing.
2. Het nationaal comité vervult de volgende taken:
a. adviseert Onze Minister, de centrale commissie dierproeven en de instanties voor dierenwelzijn over de aanschaf, de fok, de huisvesting, de verzorging, en het gebruik van dieren in dierproeven;
b. zorgt voor de verspreiding van de beste praktijken;
c. wisselt met de nationale comités van andere lidstaten informatie uit over het functioneren van de instanties voor dierenwelzijn, de beoordeling van projectvoorstellen en draagt zorg voor het verspreiden van de beste praktijken binnen de Europese Unie;
d. andere door Onze Minister opgedragen taken.
3. Het nationaal comité bestaat uit ten hoogste tien leden. Artikel 12 van de Kaderwet adviescollegesis van overeenkomstige toepassing.
4. Voor elk lid kan een plaatsvervangend lid worden benoemd.
5. De leden van het comité worden door Onze Minister voor een periode van vijf jaar benoemd en kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen. Na het verstrijken van de termijn waarvoor de leden benoemd zijn, kunnen zij aansluitend voor een periode van ten hoogste vijf jaar herbenoemd worden.
6. Het comité wijst uit haar midden een of twee plaatsvervangers voor de voorzitter aan.
7. Het comité regelt haar werkwijze bij reglement.
8. Onze Minister stelt ten behoeve van de uitvoering van de in het tweede lid, bedoelde taken, personeel ter beschikking van de commissie.
9. Artikel 2 van de Wet vergoeding adviescolleges en commissiesis van overeenkomstige toepassing.