BWBR0003067
Geldig vanaf 1976-12-02
Artikel 2
Besluit afgifte oorsprongsverklaringen 1976
1. Onverminderd het in het vierde lid bepaalde wordt de aanvrage tot afgifte van een certificaat van oorsprong ingediend bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken:
a. waarbij de onderneming of het ingevolge artikel 3, derde lid, van de Handelsregisterwet 1996 met een onderneming gelijk gestelde bedrijf van de aanvrager in het handelsregister is ingeschreven; of
b. waarbij de onderneming van de aanvrager in het handelsregister zou zijn ingeschreven, indien ten aanzien daarvan een inschrijvingsverplichting gegolden zou hebben; of
c. in welker gebied de aanvrager zijn andere dan in een onderneming uitgeoefende werkzaamheden, in verband waarmede de aanvrage wordt ingediend, verricht of laat verrichten; of
d. in welker gebied de aanvrager zijn woonplaats heeft in gevallen, waarin het gestelde onder a, b of c geen toepassing kan vinden.
2. De aanvrage wordt ingediend in de vorm, vereist ingevolge de in artikel 1, eerste lid, onder a,bedoelde verordeningen en de regelen, bedoeld in het vijfde lid, en onder bijvoeging van de bewijsstukken en gegevens, welke nodig zijn om met toepassing van de daaromtrent in die verordeningen en regelen gestelde voorschriften de oorsprong van de in de aanvrage vermelde goederen te kunnen vaststellen.
3. Op de aanvrage tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt, onverminderd het vierde lid, met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde verordeningen en regelen, beslist door de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waarbij de aanvrage is ingediend. Het certificaat wordt door deze Kamer, voorzien van haar stempel en van de handtekening van de secretaris van de Kamer, afgegeven in de door die verordeningen en regelen vereiste vorm.
4. Onze Minister van Economische Zaken kan ten aanzien van bepaalde daarbij aan te wijzen goederen een orgaan aanwijzen waarbij, in afwijking van het eerste lid, de aanvrage moet worden ingediend. In dat geval is het aangewezen orgaan, met inachtneming van de door Onze genoemde Minister te dien aanzien nader gestelde regelen, belast met het beslissen op de aanvragen en met de afgifte van de certificaten.
5. Onze Minister van Economische Zaken kan nadere regelen stellen betreffende de vorm van de aanvragen en van de certificaten van oorsprong, alsmede met betrekking tot de voorwaarden voor afgifte van zodanige certificaten.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde regelingen worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw en Visserij in de gevallen waarin die regelingen betrekking hebben of mede betrekking hebben op de afgifte van certificaten van oorsprong, of op aanvragen daarvoor, ten aanzien van de goederen, omschreven in artikel 1, eerste lid, van de Landbouwwet( Stb.1957, 342) of de niet reeds daaronder begrepen goederen, aangewezen in de bijlage bij het In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980( Stb.758).
a. waarbij de onderneming of het ingevolge artikel 3, derde lid, van de Handelsregisterwet 1996 met een onderneming gelijk gestelde bedrijf van de aanvrager in het handelsregister is ingeschreven; of
b. waarbij de onderneming van de aanvrager in het handelsregister zou zijn ingeschreven, indien ten aanzien daarvan een inschrijvingsverplichting gegolden zou hebben; of
c. in welker gebied de aanvrager zijn andere dan in een onderneming uitgeoefende werkzaamheden, in verband waarmede de aanvrage wordt ingediend, verricht of laat verrichten; of
d. in welker gebied de aanvrager zijn woonplaats heeft in gevallen, waarin het gestelde onder a, b of c geen toepassing kan vinden.
2. De aanvrage wordt ingediend in de vorm, vereist ingevolge de in artikel 1, eerste lid, onder a,bedoelde verordeningen en de regelen, bedoeld in het vijfde lid, en onder bijvoeging van de bewijsstukken en gegevens, welke nodig zijn om met toepassing van de daaromtrent in die verordeningen en regelen gestelde voorschriften de oorsprong van de in de aanvrage vermelde goederen te kunnen vaststellen.
3. Op de aanvrage tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt, onverminderd het vierde lid, met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde verordeningen en regelen, beslist door de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waarbij de aanvrage is ingediend. Het certificaat wordt door deze Kamer, voorzien van haar stempel en van de handtekening van de secretaris van de Kamer, afgegeven in de door die verordeningen en regelen vereiste vorm.
4. Onze Minister van Economische Zaken kan ten aanzien van bepaalde daarbij aan te wijzen goederen een orgaan aanwijzen waarbij, in afwijking van het eerste lid, de aanvrage moet worden ingediend. In dat geval is het aangewezen orgaan, met inachtneming van de door Onze genoemde Minister te dien aanzien nader gestelde regelen, belast met het beslissen op de aanvragen en met de afgifte van de certificaten.
5. Onze Minister van Economische Zaken kan nadere regelen stellen betreffende de vorm van de aanvragen en van de certificaten van oorsprong, alsmede met betrekking tot de voorwaarden voor afgifte van zodanige certificaten.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde regelingen worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw en Visserij in de gevallen waarin die regelingen betrekking hebben of mede betrekking hebben op de afgifte van certificaten van oorsprong, of op aanvragen daarvoor, ten aanzien van de goederen, omschreven in artikel 1, eerste lid, van de Landbouwwet( Stb.1957, 342) of de niet reeds daaronder begrepen goederen, aangewezen in de bijlage bij het In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980( Stb.758).