BWBR0003048
Geldig vanaf 1976-09-01
Artikel 6
Rechtspositiebesluit WRR
1. De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, geniet gedurende de kalendermaand waarin deze verhindering is ontstaan, en gedurende 18 maanden daarna zijn volle bezoldiging en vervolgens 80% van zijn bezoldiging.
2. Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, in belangrijke mate haar oorzaak vindt in de aard van die werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
3. Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van zijn normale werktijd wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
4. Een opnieuw ingetreden verhindering tot verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.
5. Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt te verrichten kan worden bepaald, dat deze zijn werkzaamheden slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Onze Minister neemt hieromtrent en omtrent de mate van hervatting van de werkzaamheden geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest tot het verrichten van zijn werkzaamheden.
6. Voorts zijn ten aanzien van de aanspraken ingeval van ziekte en geneeskundig onderzoek de artikelen 40 tot en met 49 van het Algemeen Rijksambtenarenreglementvan overeenkomstige toepassing.
2. Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, in belangrijke mate haar oorzaak vindt in de aard van die werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
3. Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van zijn normale werktijd wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
4. Een opnieuw ingetreden verhindering tot verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.
5. Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt te verrichten kan worden bepaald, dat deze zijn werkzaamheden slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Onze Minister neemt hieromtrent en omtrent de mate van hervatting van de werkzaamheden geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest tot het verrichten van zijn werkzaamheden.
6. Voorts zijn ten aanzien van de aanspraken ingeval van ziekte en geneeskundig onderzoek de artikelen 40 tot en met 49 van het Algemeen Rijksambtenarenreglementvan overeenkomstige toepassing.