BWBR0003046
Geldig vanaf 1973-05-01
Artikel 13
Besluit zeevaartdiploma's experimenterend hoger nautisch onderwijs
1. De mentor ziet er op toe, dat de leerling de in het takenboek vervatte opdrachten uitvoert en het takenboek bijhoudt overeenkomstig de daarin opgenomen richtlijnen en de tussentijds door de deskundige of de door of vanwege de school verstrekte aanwijzingen.
2. Voor zover de in het vorige lid bedoelde richtlijnen en aanwijzingen niet voorzien in de wijze van uitvoering van de door de leerling te verrichten werkzaamheden, geeft de mentor de leerling nadere aanwijzingen daaromtrent.
3. Indien de mentor van oordeel is, dat het opvolgen van de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen in verband met de werksituatie of de arbeidsverdeling aan boord op praktische bezwaren stuit, overlegt hij met de deskundige en de desbetreffende leraar van de school, in hoeverre een wijziging van de aanwijzing toelaatbaar en uitvoerbaar is.
4. Indien de mentor blijkt dat de leerling, hoewel de werksituatie op de arbeidsverdeling aan boord daartoe geen aanleiding geeft, onvoldoende in staat wordt gesteld de uit het takenboek voortvloeiende werkzaamheden naar behoren uit te voeren, brengt hij dit onderde aandacht van de kapitein, onderscheidenlijk de hoofdwerktuigkundige, indien deze niet zelf als mentor is aangewezen, en geeft de mogelijkheden aan om daarin verbetering te brengen.
5. Onze Minister kan de reder aanwijzingen geven omtrent de wijze, waarop de mentor zijn taak dient te vervullen.
2. Voor zover de in het vorige lid bedoelde richtlijnen en aanwijzingen niet voorzien in de wijze van uitvoering van de door de leerling te verrichten werkzaamheden, geeft de mentor de leerling nadere aanwijzingen daaromtrent.
3. Indien de mentor van oordeel is, dat het opvolgen van de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen in verband met de werksituatie of de arbeidsverdeling aan boord op praktische bezwaren stuit, overlegt hij met de deskundige en de desbetreffende leraar van de school, in hoeverre een wijziging van de aanwijzing toelaatbaar en uitvoerbaar is.
4. Indien de mentor blijkt dat de leerling, hoewel de werksituatie op de arbeidsverdeling aan boord daartoe geen aanleiding geeft, onvoldoende in staat wordt gesteld de uit het takenboek voortvloeiende werkzaamheden naar behoren uit te voeren, brengt hij dit onderde aandacht van de kapitein, onderscheidenlijk de hoofdwerktuigkundige, indien deze niet zelf als mentor is aangewezen, en geeft de mogelijkheden aan om daarin verbetering te brengen.
5. Onze Minister kan de reder aanwijzingen geven omtrent de wijze, waarop de mentor zijn taak dient te vervullen.