BWBR0002944
Geldig vanaf 1974-12-23
Artikel 4
Wet tot beëindiging van overheidstaken m.b.t. voormalige Wees- en Momboirkamers
1. Onze Minister draagt het bij de dienst der Domeinen berustende beheer over vermogens onder de naam vicarieën, beneficiën of prebenden, over,
a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon;
b. indien de begunstigde een natuurlijke persoon is, aan een door Onze Minister van geval tot geval aan te wijzen rechtspersoon.
2. Onze Minister ontbindt een vicarie, beneficie of prebende, als in het eerste lid bedoeld, indien er op het tijdstip van het in werking treden van deze wet geen begunstigde blijkt te zijn, noch verwacht mag worden.
3. Artikel 2, derde lid, is op de in het vorige lid bedoelde gevallen van overeenkomstige toepassing.
4. Indien tot een vermogen, als bedoeld in het eerste lid, een zaak behoort in welker vruchten de Staat deelgerechtigd is, stelt Onze Minister de in dat lid bedoelde rechtspersoon bij aangetekende brief in de gelegenheid, binnen twee maanden na de dagtekening daarvan een verzoek in te dienen om die zaak tegen betaling van de daarin genoemde prijs in eigendom te verkrijgen. Deze prijs stelt Onze Minister vast op een zodanig gedeelte van de door hem aan de zaak toegekende waarde als overeenkomt met het aandeel van de Staat in de vruchten. Indien een zodanig verzoek niet wordt ingediend, wordt de zaak door Onze Minister in het openbaar verkocht, stort Onze Minister het gedeelte van de opbrengst dat overeenkomt met het aandeel van de Staat in 's Rijks schatkist en keert Onze Minister het overblijvende gedeelte uit aan die rechtspersoon.
5. De waarde van een zaak, als in het vorige lid bedoeld, wordt indien daarover tussen Onze Minister en de bedoelde rechtspersoon geen overeenstemming bestaat, bepaald door een of meer door hen gezamenlijk aan te wijzen deskundigen, met dien verstande dat voor de waarde van een inschrijving in de Grootboeken der Nationale Schuld wordt aangesloten bij de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, als bedoeld in artikel 21 van de Successiewet 1956, geldende voor de dag voorafgaand aan de dagtekening van de in het vorige lid bedoelde aangetekende brief.
6. Het Souverein Besluit van 8 mei 1814, nr. 147, wordt ingetrokken.
a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon;
b. indien de begunstigde een natuurlijke persoon is, aan een door Onze Minister van geval tot geval aan te wijzen rechtspersoon.
2. Onze Minister ontbindt een vicarie, beneficie of prebende, als in het eerste lid bedoeld, indien er op het tijdstip van het in werking treden van deze wet geen begunstigde blijkt te zijn, noch verwacht mag worden.
3. Artikel 2, derde lid, is op de in het vorige lid bedoelde gevallen van overeenkomstige toepassing.
4. Indien tot een vermogen, als bedoeld in het eerste lid, een zaak behoort in welker vruchten de Staat deelgerechtigd is, stelt Onze Minister de in dat lid bedoelde rechtspersoon bij aangetekende brief in de gelegenheid, binnen twee maanden na de dagtekening daarvan een verzoek in te dienen om die zaak tegen betaling van de daarin genoemde prijs in eigendom te verkrijgen. Deze prijs stelt Onze Minister vast op een zodanig gedeelte van de door hem aan de zaak toegekende waarde als overeenkomt met het aandeel van de Staat in de vruchten. Indien een zodanig verzoek niet wordt ingediend, wordt de zaak door Onze Minister in het openbaar verkocht, stort Onze Minister het gedeelte van de opbrengst dat overeenkomt met het aandeel van de Staat in 's Rijks schatkist en keert Onze Minister het overblijvende gedeelte uit aan die rechtspersoon.
5. De waarde van een zaak, als in het vorige lid bedoeld, wordt indien daarover tussen Onze Minister en de bedoelde rechtspersoon geen overeenstemming bestaat, bepaald door een of meer door hen gezamenlijk aan te wijzen deskundigen, met dien verstande dat voor de waarde van een inschrijving in de Grootboeken der Nationale Schuld wordt aangesloten bij de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, als bedoeld in artikel 21 van de Successiewet 1956, geldende voor de dag voorafgaand aan de dagtekening van de in het vorige lid bedoelde aangetekende brief.
6. Het Souverein Besluit van 8 mei 1814, nr. 147, wordt ingetrokken.