BWBR0002944
Geldig vanaf 1974-12-23
Artikel 2
Wet tot beëindiging van overheidstaken m.b.t. voormalige Wees- en Momboirkamers
1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid draagt Onze Minister het hem bij de wet van 20 augustus 1859 ( Stb.95) opgedragen beheer over de fondsen en stichtingen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 5 maart 1852 ( Stb.45), voor zover dit niet bij krachtens de stichtingsoorkonden benoemde bewindvoerders berust, over,
a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon;
b. indien de begunstigde een natuurlijke persoon is, aan een door Onze Minister van geval tot geval aan te wijzen rechtspersoon.
2. Onze Minister ontbindt een fonds of stichting, als in het eerste lid bedoeld, indien er op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet geen begunstigde blijkt te zijn, noch verwacht mag worden.
3. Onze Minister vereffent het vermogen van het ontbonden fonds en van de ontbonden stichting en stort een na de vereffening overblijvend batig saldo in 's Rijks schatkist.
a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon;
b. indien de begunstigde een natuurlijke persoon is, aan een door Onze Minister van geval tot geval aan te wijzen rechtspersoon.
2. Onze Minister ontbindt een fonds of stichting, als in het eerste lid bedoeld, indien er op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet geen begunstigde blijkt te zijn, noch verwacht mag worden.
3. Onze Minister vereffent het vermogen van het ontbonden fonds en van de ontbonden stichting en stort een na de vereffening overblijvend batig saldo in 's Rijks schatkist.