BWBR0002828
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 3
Vaarplichtwet
1. De vaarplicht kan worden opgelegd aan alle Nederlanders, uitgezonderd Nederlanders, woonachtig in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, en aan alle inwoners van Nederland, die:
1°. zeeman zijn of
2°. in een door Onze Minister vast te stellen tijdvak van ten hoogste tien jaren, voorafgaande aan de dag, dat de vaarplicht wordt opgelegd, ten minste zes maanden zeeman geweest zijn.
2. Vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdvak op langer dan drie jaren geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken.
3. Van de vaarplicht zijn vrijgesteld:
a. personen ouder dan zestig jaar, zeelieden jonger dan zestien jaar en gewezen zeelieden jonger dan achttien jaar;
b. zij die in werkelijke dienst zijn of zijn opgeroepen bij de krijgsmacht, zolang die werkelijke dienst duurt;
c. zij die ingevolge een overeenkomst met een andere mogendheid of met een volkenrechtelijke organisatie niet tot vaarplicht of andere verplichtingen van overeenkomstige aard gehouden zijn;
d. zij die een geestelijk ambt bekleden of tot zodanig ambt worden opgeleid;
e. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader aan te wijzen groepen van personen.
4. De vaarplichtige kan door Onze Minister al dan niet voor een bepaalde termijn van de vaarplicht worden ontslagen; het ontslag van de vaarplicht kan te allen tijde worden ingetrokken of ongedaan gemaakt.
5. De gevolgen, voortvloeiende uit het ontslag van de vaarplicht, worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
1°. zeeman zijn of
2°. in een door Onze Minister vast te stellen tijdvak van ten hoogste tien jaren, voorafgaande aan de dag, dat de vaarplicht wordt opgelegd, ten minste zes maanden zeeman geweest zijn.
2. Vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdvak op langer dan drie jaren geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken.
3. Van de vaarplicht zijn vrijgesteld:
a. personen ouder dan zestig jaar, zeelieden jonger dan zestien jaar en gewezen zeelieden jonger dan achttien jaar;
b. zij die in werkelijke dienst zijn of zijn opgeroepen bij de krijgsmacht, zolang die werkelijke dienst duurt;
c. zij die ingevolge een overeenkomst met een andere mogendheid of met een volkenrechtelijke organisatie niet tot vaarplicht of andere verplichtingen van overeenkomstige aard gehouden zijn;
d. zij die een geestelijk ambt bekleden of tot zodanig ambt worden opgeleid;
e. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader aan te wijzen groepen van personen.
4. De vaarplichtige kan door Onze Minister al dan niet voor een bepaalde termijn van de vaarplicht worden ontslagen; het ontslag van de vaarplicht kan te allen tijde worden ingetrokken of ongedaan gemaakt.
5. De gevolgen, voortvloeiende uit het ontslag van de vaarplicht, worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.