BWBR0002729
Geldig vanaf 1970-12-01
Artikel 15d
Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. het beoordelingsjaar: het jaar volgend op het jaar waarin de maatregelen ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, zijn voltooid;
b. het vergelijkingsjaar: het jaar dat drie jaren voor het beoordelingsjaar is gelegen.
2. Indien een heffingplichtige in het jaar 1995, 1996, 1997 of 1998 ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen, genoemd in artikel 10b, maatregelen treft, welke in het beoordelingsjaar leiden tot een afname van de verontreiniging van rijkswateren met die stoffen van ten minste 25% ten opzichte van het vergelijkingsjaar, vindt op diens verzoek een vermindering plaats van de belastingaanslagen met betrekking tot de lozing van bedoelde stoffen over het vergelijkingsjaar en de hierop volgende twee heffingsjaren.
3. De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het percentage dat wordt verkregen volgens de formule:
waarbij
A = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het vergelijkingsjaar;
B = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het beoordelingsjaar;
C = het aantal geproduceerde eenheden in het vergelijkingsjaar;
D = het aantal geproduceerde eenheden in het beoordelingsjaar.
4. Het hoofd verleent de in het tweede lid bedoelde vermindering van de belastingaanslagen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. In afwijking in zoverre van artikel 28, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht voor zover de heffingplichtige uitstel van betaling is verleend met betrekking tot het deel van de belastingaanslagen dat overeenkomt met het vermoedelijk beloop van de vermindering, bedoeld in het tweede lid.
6. Dit artikel blijft buiten toepassing met betrekking tot de verontreiniging van rijkswateren welke is ontstaan door het brengen van die stoffen in rijkswateren vanuit een inrichting, in gebruik bij een openbaar lichaam voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater.
a. het beoordelingsjaar: het jaar volgend op het jaar waarin de maatregelen ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, zijn voltooid;
b. het vergelijkingsjaar: het jaar dat drie jaren voor het beoordelingsjaar is gelegen.
2. Indien een heffingplichtige in het jaar 1995, 1996, 1997 of 1998 ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen, genoemd in artikel 10b, maatregelen treft, welke in het beoordelingsjaar leiden tot een afname van de verontreiniging van rijkswateren met die stoffen van ten minste 25% ten opzichte van het vergelijkingsjaar, vindt op diens verzoek een vermindering plaats van de belastingaanslagen met betrekking tot de lozing van bedoelde stoffen over het vergelijkingsjaar en de hierop volgende twee heffingsjaren.
3. De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het percentage dat wordt verkregen volgens de formule:
waarbij
A = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het vergelijkingsjaar;
B = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het beoordelingsjaar;
C = het aantal geproduceerde eenheden in het vergelijkingsjaar;
D = het aantal geproduceerde eenheden in het beoordelingsjaar.
4. Het hoofd verleent de in het tweede lid bedoelde vermindering van de belastingaanslagen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. In afwijking in zoverre van artikel 28, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht voor zover de heffingplichtige uitstel van betaling is verleend met betrekking tot het deel van de belastingaanslagen dat overeenkomt met het vermoedelijk beloop van de vermindering, bedoeld in het tweede lid.
6. Dit artikel blijft buiten toepassing met betrekking tot de verontreiniging van rijkswateren welke is ontstaan door het brengen van die stoffen in rijkswateren vanuit een inrichting, in gebruik bij een openbaar lichaam voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater.