BWBR0002696
Geldig vanaf 1970-01-01
Artikel 38
Rijkssubsidieregeling bureaus voor levens- en gezinsvragen
1. Indien een instelling voor de eerste maal subsidie aanvraagt, wordt de beslissing ten aanzien van deze aanvraag door de minister genomen na overleg met het desbetreffende gemeentebestuur, dat – indien aanwezig – de plaatstelijke instelling voor overleg en advies op maatschappelijk terrein c.q. de plaatselijke raad voor de maatschappelijke dienstverlening hoort. De minister zendt afschrift van zijn beslissing aan het gemeentebestuur.
2. Het in het eerste lid gestelde is eveneens van toepassing, indien een instelling een verzoek indient voor uitbreiding van het aantal voor subsidie in aanmerking komende functionarissen en medewerkers.
Alleen indien deze personeelsuitbreiding voortvloeit uit het ter hand nemen van nieuwe vormen van werkzaamheid, bedoeld in de artikelen 4tot en met 6, hoort het gemeentebestuur de plaatselijke instelling voor overleg en advies op maatschappelijk terrein, c.q. de plaatselijke raad voor de maatschappelijke dienstverlening.
2. Het in het eerste lid gestelde is eveneens van toepassing, indien een instelling een verzoek indient voor uitbreiding van het aantal voor subsidie in aanmerking komende functionarissen en medewerkers.
Alleen indien deze personeelsuitbreiding voortvloeit uit het ter hand nemen van nieuwe vormen van werkzaamheid, bedoeld in de artikelen 4tot en met 6, hoort het gemeentebestuur de plaatselijke instelling voor overleg en advies op maatschappelijk terrein, c.q. de plaatselijke raad voor de maatschappelijke dienstverlening.