BWBR0002658
Geldig vanaf 1969-07-27
Artikel 6
Bijzondere vakantieregeling voor bekleders van bepaalde ambten
1. Indien naar het oordeel van het gezag, dat bevoegd is tot verlening van de vakantie, het dienstbelang het onvermijdelijk maakt, dat een ambtenaar of arbeider die werkzaam is bij het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, de vakantie geheel of gedeeltelijk wordt verleend in de periode, gelegen tussen 30 september en 1 mei, heeft de desbetreffende ambtenaar of arbeider voor elke vakantiedag, welke hem dientengevolge, in deze periode wordt verleend, aanspraak op verlenging van zijn vakantie met een halve dag.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vakantie verstaan de vakantie, waarop aanspraak bestaat ingevolge de artikelen 24en 25 eerste lid, onder a, b of c van het Algemeen. Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk de artikelen 23 en 24, eerste lid, onder a, bof cvan het Arbeidsovereenkomstenbesluit.
3. Het eerste lid geldt voorts met dien verstande, dat de daar bedoelde verlenging nimmer meer dan 6 dienstdagen mag bedragen en dat de totale duur der vakantie dientengevolge niet mag overschrijden het aantal van 29 dienstdagen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vakantie verstaan de vakantie, waarop aanspraak bestaat ingevolge de artikelen 24en 25 eerste lid, onder a, b of c van het Algemeen. Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk de artikelen 23 en 24, eerste lid, onder a, bof cvan het Arbeidsovereenkomstenbesluit.
3. Het eerste lid geldt voorts met dien verstande, dat de daar bedoelde verlenging nimmer meer dan 6 dienstdagen mag bedragen en dat de totale duur der vakantie dientengevolge niet mag overschrijden het aantal van 29 dienstdagen.