BWBR0002593
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 17
Besluit overdracht contante waarden verplichtingen ongevallenverzekering aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
1. Voor zover de overdracht plaatsvindt in de vorm van onderhandse leningen met op de datum van overdracht een langere gemiddelde looptijd dan een jaar, worden deze gewaardeerd tegen de contante waarde op genoemde datum. De daarbij te bezigen rekenrente is voor elke lening verschillend naar gelang van de gemiddelde looptijd en wordt vastgesteld op basis van het volgende schema: Gemiddelde looptijd
> 1 jaar < 2 jaar
> 2 jaar < 3 jaar
> 3 jaar < 5 jaar
> 5 jaar < 10 jaar
> 10 jaar < 20 jaar
> 20 jaar
De rekenrente van de groep
> 10 jaar < 20 jaar
wordt daarbij al naar gelang de datum van overdracht gelijkgesteld aan die, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid. De rekenrente van de overige groepen worden van de in de vorige volzin bedoelde rekenrente afgeleid in overeenstemming met de verschillen in rentestand voor de verschillende looptijden op de datum van overdracht.
2. Indien bij de onderhandse leningen als in het vorige lid bedoeld de debiteur zich de mogelijkheid van vervroegde aflossing heeft voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der lening de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, overtreft, voor de bepaling van de gemiddelde looptijd, alsook van de contante waarde van de lening uitgegaan van de veronderstelling, dat de lening een einde neemt op de datum, waarop vervroegde aflossing voor het eerst mogelijk is. Indien de vervroegde aflossing gepaard gaat met betaling van een boete, wordt daarmede voor de berekening der contante waarde rekening gehouden.
3. Indien bij onderhandse leningen als in het eerste lid bedoeld de geldgever zich de mogelijkheid van vervroegde tussentijdse opzegging heeft voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der lening lager is dan de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, voor de bepaling van de gemiddelde looptijd alsook van de contante waarde van de lening uitgegaan van de veronderstelling, dat de lening een einde neemt op de datum, waarop opzegging voor het eerste mogelijk is.
> 1 jaar < 2 jaar
> 2 jaar < 3 jaar
> 3 jaar < 5 jaar
> 5 jaar < 10 jaar
> 10 jaar < 20 jaar
> 20 jaar
De rekenrente van de groep
> 10 jaar < 20 jaar
wordt daarbij al naar gelang de datum van overdracht gelijkgesteld aan die, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid. De rekenrente van de overige groepen worden van de in de vorige volzin bedoelde rekenrente afgeleid in overeenstemming met de verschillen in rentestand voor de verschillende looptijden op de datum van overdracht.
2. Indien bij de onderhandse leningen als in het vorige lid bedoeld de debiteur zich de mogelijkheid van vervroegde aflossing heeft voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der lening de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, overtreft, voor de bepaling van de gemiddelde looptijd, alsook van de contante waarde van de lening uitgegaan van de veronderstelling, dat de lening een einde neemt op de datum, waarop vervroegde aflossing voor het eerst mogelijk is. Indien de vervroegde aflossing gepaard gaat met betaling van een boete, wordt daarmede voor de berekening der contante waarde rekening gehouden.
3. Indien bij onderhandse leningen als in het eerste lid bedoeld de geldgever zich de mogelijkheid van vervroegde tussentijdse opzegging heeft voorbehouden, wordt, uitsluitend voor zover de nominale rente der lening lager is dan de rekenrente, bedoeld in artikel 6, onderscheidenlijk artikel 8, vierde lid, voor de bepaling van de gemiddelde looptijd alsook van de contante waarde van de lening uitgegaan van de veronderstelling, dat de lening een einde neemt op de datum, waarop opzegging voor het eerste mogelijk is.