BWBR0002564
Geldig vanaf 22-09-1995
Artikel 47
Mijnreglement continentaal plat
1. Op een mijnbouwinstallatie moet, ter plaatse waar de arbeid wordt verricht, een verlichting aanwezig zijn, welke voor deze arbeid voldoende en doelmatig is. Er moet, voor zover mogelijk, voldoende daglicht kunnen binnenkomen en er dienen, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden, de nodige voorzieningen voor een adequate kunstverlichting aanwezig te zijn om de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders te beschermen. De verlichtingsinstallaties in werkruimten en verbindingswegen moeten zodanig zijn aangebracht dat de verlichting geen ongevallenrisico’s voor de arbeiders oplevert.
2. Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, was-, bad- en kleedgelegenheden, magazijnen, bergplaatsen, inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een mijnbouwinstallatie moeten op tijden, dat personen daarvan gebruik moeten maken, voor dat gebruik voldoende en doelmatig zijn verlicht.
3. Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, zomede inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een bemande mijnbouwinstallatie moeten voortdurend voldoende en doelmatig zijn verlicht.
4. In recreatie-, schaft- en slaapverblijven op een mijnbouwinstallatie moet een voldoende en doelmatige verlichting zijn.
5. Privaten en urinoirs op een mijnbouwinstallatie moeten zodanig zijn verlicht, dat zij behoorlijk zijn te gebruiken en dat goed kan worden waargenomen, of zij in zindelijke staat verkeren.
6. Arbeidsplaatsen waar arbeiders bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico’s zijn blootgesteld, moeten met een doelmatige en voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust.
2. Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, was-, bad- en kleedgelegenheden, magazijnen, bergplaatsen, inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een mijnbouwinstallatie moeten op tijden, dat personen daarvan gebruik moeten maken, voor dat gebruik voldoende en doelmatig zijn verlicht.
3. Portalen, trappen, loopgangen en andere doorgangen, zomede inschepingsplaatsen en vrije dekruimten op een bemande mijnbouwinstallatie moeten voortdurend voldoende en doelmatig zijn verlicht.
4. In recreatie-, schaft- en slaapverblijven op een mijnbouwinstallatie moet een voldoende en doelmatige verlichting zijn.
5. Privaten en urinoirs op een mijnbouwinstallatie moeten zodanig zijn verlicht, dat zij behoorlijk zijn te gebruiken en dat goed kan worden waargenomen, of zij in zindelijke staat verkeren.
6. Arbeidsplaatsen waar arbeiders bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico’s zijn blootgesteld, moeten met een doelmatige en voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust.
- Citeren als
- Art. 47
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl