BWBR0002564
Geldig vanaf 22-02-1989
Artikel 31
Mijnreglement continentaal plat
1. Van het voornemen om een mijnbouwinstallatie op of boven het continentaal plat te plaatsen moet tenminste twee weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen schriftelijk mededeling worden gedaan aan Onze Minister, het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat, de houder van de concessie bedoeld in artikel 3 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en de Inspecteur-Generaal der Mijnen, onder opgave van:
a. de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie zal worden geplaatst, uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening;
b. de aard en de afmetingen van de mijnbouwinstallatie;
c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.
2. Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie de in dat lid bedoelde mededeling moet worden gedaan.
3. Zodra een mijnbouwinstallatie op of boven het continentaal plat is geplaatst, moet met gebruikmaking van doelmatige apparatuur, door het verrichten van voldoende metingen of andere waarnemingen, een voldoend nauwkeurige plaatsbepaling van de installatie worden verricht. Het resultaat hiervan moet onverwijld schriftelijk worden medegedeeld aan Onze Minister, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat en de Inspecteur-Generaal der Mijnen, zomede, onder overlegging van voldoende op de verrichte waarnemingen betrekking hebbende gegevens, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie.
4. Het in artikel 56 ten aanzien van gegevens, die voor het vervaardigen van kaarten hebben gediend, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op gegevens, welke verkregen zijn door waarnemingen als in het derde lid van dit artikel bedoeld.
a. de ligging van de plaats, waar de mijnbouwinstallatie zal worden geplaatst, uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening;
b. de aard en de afmetingen van de mijnbouwinstallatie;
c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.
2. Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie de in dat lid bedoelde mededeling moet worden gedaan.
3. Zodra een mijnbouwinstallatie op of boven het continentaal plat is geplaatst, moet met gebruikmaking van doelmatige apparatuur, door het verrichten van voldoende metingen of andere waarnemingen, een voldoend nauwkeurige plaatsbepaling van de installatie worden verricht. Het resultaat hiervan moet onverwijld schriftelijk worden medegedeeld aan Onze Minister, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat en de Inspecteur-Generaal der Mijnen, zomede, onder overlegging van voldoende op de verrichte waarnemingen betrekking hebbende gegevens, aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie.
4. Het in artikel 56 ten aanzien van gegevens, die voor het vervaardigen van kaarten hebben gediend, bepaalde is van overeenkomstige toepassing op gegevens, welke verkregen zijn door waarnemingen als in het derde lid van dit artikel bedoeld.
- Citeren als
- Art. 31
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl