BWBR0002450
Geldig vanaf 2004-07-21
Artikel 14a
Bestrijdingsmiddelenbesluit
1. Het is verboden bestrijdingsmiddelen, genoemd in artikel 14, eerste lid, met uitzondering van bestrijdingsmiddelen bestemd voor de bestrijding van mollen en woelratten die de werkzame stof fosforwaterstof bevatten of kunnen opleveren of aangewezen krachtens het derde lid van dat artikel, te gebruiken, indien de betrokken werkzaamheden niet worden verricht door of onder toezicht van een deskundige. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten aanzien van door hem aan te geven werkwijzen voorschrijven dat de in de vorige volzin bedoelde werkzaamheden slechts door een deskundige mogen worden verricht.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als deskundige aangemerkt een persoon die in het bezit is van een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten hoogste vijf jaren tevoren afgegeven bewijs dat aangeeft:
a. dat hij voldoende op de hoogte is wanneer en onder welke omstandigheden het gebruik van de daar bedoelde bestrijdingsmiddelen verantwoord is en
b. dat hij voldoende op de hoogte is van de gevaren welke het gebruik met zich brengt en van de wijze waarop deze gevaren kunnen worden voorkomen.
Indien het bewijs slechts betrekking heeft op bepaalde bestrijdingsmiddelen of op bepaalde toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als deskundige aangemerkt.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een bewijs als bedoeld in het tweede lid binnen vijf jaren na de afgifte vervallen verklaren, indien de betrokkene ernstig te kort schiet in hetgeen op grond van dat bewijs van hem mag worden verwacht.
4. Degene die bestrijdingsmiddelen, als bedoeld in het eerste lid, gebruikt, is verplicht ervoor zorg te dragen dat de in dat lid bedoelde deskundige zo nodig beschikt over hulpmiddelen waarmee de aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste bestrijdingsmiddel kan worden vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als deskundige aangemerkt een persoon die in het bezit is van een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten hoogste vijf jaren tevoren afgegeven bewijs dat aangeeft:
a. dat hij voldoende op de hoogte is wanneer en onder welke omstandigheden het gebruik van de daar bedoelde bestrijdingsmiddelen verantwoord is en
b. dat hij voldoende op de hoogte is van de gevaren welke het gebruik met zich brengt en van de wijze waarop deze gevaren kunnen worden voorkomen.
Indien het bewijs slechts betrekking heeft op bepaalde bestrijdingsmiddelen of op bepaalde toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als deskundige aangemerkt.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een bewijs als bedoeld in het tweede lid binnen vijf jaren na de afgifte vervallen verklaren, indien de betrokkene ernstig te kort schiet in hetgeen op grond van dat bewijs van hem mag worden verwacht.
4. Degene die bestrijdingsmiddelen, als bedoeld in het eerste lid, gebruikt, is verplicht ervoor zorg te dragen dat de in dat lid bedoelde deskundige zo nodig beschikt over hulpmiddelen waarmee de aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste bestrijdingsmiddel kan worden vastgesteld.