BWBR0002450
Geldig vanaf 2004-07-21
Artikel 14
Bestrijdingsmiddelenbesluit
1. Degene, die een besloten ruimte, de zich daarin bevindende voorwerpen of produkten of de zich daaronder bevindende grond behandelt met cyaanwaterstof, giftige cyaanverbindingen, bestrijdingsmiddelen die giftige cyaanverbindingen kunnen opleveren, ethyleenoxyde, mengsels waarin ethyleenoxyde aanwezig is, methylbromide, fosforwaterstof of bestrijdingsmiddelen die fosforwaterstof kunnen opleveren, is verplicht ervoor zorg te dragen, dat gedurende deze behandeling, alsmede gedurende de inwerking van de daarbij opgekomen gassen of dampen en gedurende de ontgassing, aan de buitenzijde van deze ruimte op alle plaatsen, die daartoe toegang verlenen, een waarschuwingssignaal betreffende giftige stoffen en een duidelijk leesbaar opschrift zijn aangebracht overeenkomstig een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij regeling vast te stellen model. Hij is voorts verplicht zorg te dragen, dat tijdens de in de vorige volzin bedoelde behandeling en inwerking verspreiding dezer middelen buiten de ruimte of grond, waarin deze behandeling plaatsvindt, zoveel mogelijk wordt voorkomen.
2. Degene, bij wie een behandeling als in het eerste lid bedoeld wordt verricht, is verplicht ervoor zorg te dragen, dat de ruimte gedurende de in dat lid bedoelde tijd ontoegankelijk is voor onbevoegden en dat het in dat lid bedoelde opschrift na de ontgassing wordt verwijderd.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bij regeling de voorgaande leden met betrekking tot bij zijn regeling daartoe aangewezen andere bestrijdingsmiddelen van overeenkomstige toepassing verklaren, indien zulks naar zijn oordeel geboden is vanwege de gevaren, welke het gebruik van die middelen medebrengt.
2. Degene, bij wie een behandeling als in het eerste lid bedoeld wordt verricht, is verplicht ervoor zorg te dragen, dat de ruimte gedurende de in dat lid bedoelde tijd ontoegankelijk is voor onbevoegden en dat het in dat lid bedoelde opschrift na de ontgassing wordt verwijderd.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bij regeling de voorgaande leden met betrekking tot bij zijn regeling daartoe aangewezen andere bestrijdingsmiddelen van overeenkomstige toepassing verklaren, indien zulks naar zijn oordeel geboden is vanwege de gevaren, welke het gebruik van die middelen medebrengt.