BWBR0002447
Geldig vanaf 1964-01-01
Artikel 11
Rijksregeling tot vaststelling van de subsidievoorwaarden voor kraaminternaten
1. In het internaat worden opleidings- en bijscholingscursussen gegeven.
2. Per jaar worden ten minste twee opleidingscursussen gegeven. Een opleidingscursus omvat ten minste 16 en ten hoogste 18 weken achtereenvolgend onderwijs alsmede tijdens het praktijkjaar twee perioden van één week aanvullende lessen.
3. Per jaar worden ten minste twee bijscholingscursussen gegeven van vier dagen. De programma's van de bijscholingscursussen dienen 1 maand vóór de aanvang aan de hoofdinspecteur ter goedkeuring te worden overgelegd.
4. Een cursusgroep zowel van de opleidingscursus als van de bijscholingscursus bestaat uit ten minste 15 en ten hoogste 25 cursisten.
5. Aan de hoofdinspecteur wordt een opgave verstrekt van de leerlingen die toegelaten worden tot de opleiding alsmede van de leerlingen die na beëindiging van de eerste internaatsperiode worden toegelaten tot de praktische opleiding. Het model voor deze opgave wordt door de hoofdinspecteur vastgesteld.
6. De Minister kan, na het advies te hebben ingewonnen van de hoofdinspecteur ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en het derde lid.
2. Per jaar worden ten minste twee opleidingscursussen gegeven. Een opleidingscursus omvat ten minste 16 en ten hoogste 18 weken achtereenvolgend onderwijs alsmede tijdens het praktijkjaar twee perioden van één week aanvullende lessen.
3. Per jaar worden ten minste twee bijscholingscursussen gegeven van vier dagen. De programma's van de bijscholingscursussen dienen 1 maand vóór de aanvang aan de hoofdinspecteur ter goedkeuring te worden overgelegd.
4. Een cursusgroep zowel van de opleidingscursus als van de bijscholingscursus bestaat uit ten minste 15 en ten hoogste 25 cursisten.
5. Aan de hoofdinspecteur wordt een opgave verstrekt van de leerlingen die toegelaten worden tot de opleiding alsmede van de leerlingen die na beëindiging van de eerste internaatsperiode worden toegelaten tot de praktische opleiding. Het model voor deze opgave wordt door de hoofdinspecteur vastgesteld.
6. De Minister kan, na het advies te hebben ingewonnen van de hoofdinspecteur ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en het derde lid.