BWBR0002416
Geldig vanaf 1964-06-01
Artikel 55
Visserijwet 1963
1. Ieder die de visserij uitoefent of pleegt uit te oefenen, is verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar:
a. deze ambtenaar in de gelegenheid te stellen zijn vaartuig te betreden;
b. ter inzage af te geven de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de uitoefening van de visserij vereiste bescheiden, waarvan inzage naar redelijk oordeel van deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak nodig is;
c. uitstaand vistuig te lichten;
d. gesloten viskaren te openen;
e. anderszins de medewerking te verlenen, die deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak behoeft.
2. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.
3. Overtreding van het eerste lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
4. De feiten strafbaar gesteld bij dit artikel worden als overtreding beschouwd.
a. deze ambtenaar in de gelegenheid te stellen zijn vaartuig te betreden;
b. ter inzage af te geven de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de uitoefening van de visserij vereiste bescheiden, waarvan inzage naar redelijk oordeel van deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak nodig is;
c. uitstaand vistuig te lichten;
d. gesloten viskaren te openen;
e. anderszins de medewerking te verlenen, die deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak behoeft.
2. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.
3. Overtreding van het eerste lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
4. De feiten strafbaar gesteld bij dit artikel worden als overtreding beschouwd.