BWBR0002408
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 6
In- en uitvoerbesluit strategische goederen
1. Indien de wapens, genoemd in de bijlage bij het Gemeenschappelijk optreden van 12 juli 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens en tot intrekking van gemeenschappelijk optreden 1999/34/GBVB (2002/589/GBVB, PbEG 2002 L 191) naar de tekst zoals deze bij dat gemeenschappelijk optreden is vastgesteld, dan wel de goederen aangewezen in de bijlagevan dit besluit, Nederland worden binnen gebracht en vervolgens, zonder dat daartoe ingevolge dit besluit een vergunning benodigd is, weer uitgaan, vindt een melding plaats bij de Belastingdienst/Douane.
2. Indien geen summiere aangifte behoeft te worden gedaan als bedoeld in artikel 43 van het Communautair douanewetboek vindt de melding, bedoeld in het eerste lid, plaats:
bij het binnenbrengen van de goederen,
door middel van het doen van de aanvraag om een consent tot binnenkomen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en
door degene die verplicht is de onder b bedoelde aanvraag te doen.
3. In de gevallen, anders dan die bedoeld in het tweede lid, vindt de melding, bedoeld in het eerste lid, plaats:
op het tijdstip van de aangifte tot wederuitvoer als bedoeld in artikel 182, derde lid, van het Communautair douanewetboek, of de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer als bedoeld in artikel 91 van dat wetboek,
op een tijdstip dat ten minste 12 kantooruren is gelegen voor het moment waarop de wederuitvoer dan wel het douanevervoer aanvangt, en
door degene die op grond van het Communautair douanewetboek verplicht is tot het doen van de aangifte, bedoeld onder a.
4. In de situatie, bedoeld in het derde lid, geschiedt de melding schriftelijk en omvat deze een omschrijving van de goederen alsmede de vermelding van:
de hoeveelheid goederen;
de bestemming en, indien deze afwijkend is, de eindbestemming van de goederen;
het vervoermiddel waarin de goederen zich bevinden;
de voorziene plaats van uitgaan uit Nederland en
de naam van degene die de aangifte of kennisgeving doet en, indien dat een ander is dan degene die het beschikkingsrecht heeft over de goederen, de naam van laatstbedoelde persoon.
2. Indien geen summiere aangifte behoeft te worden gedaan als bedoeld in artikel 43 van het Communautair douanewetboek vindt de melding, bedoeld in het eerste lid, plaats:
bij het binnenbrengen van de goederen,
door middel van het doen van de aanvraag om een consent tot binnenkomen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en
door degene die verplicht is de onder b bedoelde aanvraag te doen.
3. In de gevallen, anders dan die bedoeld in het tweede lid, vindt de melding, bedoeld in het eerste lid, plaats:
op het tijdstip van de aangifte tot wederuitvoer als bedoeld in artikel 182, derde lid, van het Communautair douanewetboek, of de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer als bedoeld in artikel 91 van dat wetboek,
op een tijdstip dat ten minste 12 kantooruren is gelegen voor het moment waarop de wederuitvoer dan wel het douanevervoer aanvangt, en
door degene die op grond van het Communautair douanewetboek verplicht is tot het doen van de aangifte, bedoeld onder a.
4. In de situatie, bedoeld in het derde lid, geschiedt de melding schriftelijk en omvat deze een omschrijving van de goederen alsmede de vermelding van:
de hoeveelheid goederen;
de bestemming en, indien deze afwijkend is, de eindbestemming van de goederen;
het vervoermiddel waarin de goederen zich bevinden;
de voorziene plaats van uitgaan uit Nederland en
de naam van degene die de aangifte of kennisgeving doet en, indien dat een ander is dan degene die het beschikkingsrecht heeft over de goederen, de naam van laatstbedoelde persoon.