Artikel 1
1. In geval van samenloop over eenzelfde tijdvak van een wezenpensioen, een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met een rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2°, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919, wordt die rente of uitkering alsmede de daarop verleende wettelijke bijslag slechts uitbetaald, voorzover de rente of uitkering, vermeerderd met de bijslag, het pensioen of de tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de eerstgenoemde wet overtreft.
2. Waar in deze paragraaf wordt gesproken van:
a. wettelijke bijslag, wordt bedoeld de bijslag, verleend ingevolge de Wet tot aanvulling der ongevallenrenten en de Wet van 10 oktober 1962, Stb. 394, tot tijdelijke verdere verhoging van ongevalsuitkeringen in verbinding met - indien de bijslag wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;
b. een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, wordt bedoeld een rente, toegekend anders dan in verband met het bepaalde bij artikel 87 der Ongevallenwet 1921 onderscheidenlijk artikel 99 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in verbinding met - indien de rente wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;
c. een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919 - indien de uitkering wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - wordt bedoeld een uitkering ingevolge eerstgenoemde wet in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten.
3. Wanneer een weduwe in het genot is van een weduwenpensioen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt de door een eigen of daarmede, ingevolge artikel 10 der Algemene Weduwen- en Wezenwet, gelijkgesteld kind genoten rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2°, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919 alsmede de op die rente of uitkering genoten wettelijke bijslag voor de toepassing van het eerste lid geacht door de weduwe op grond van de genoemde artikelen te zijn genoten.
2. Waar in deze paragraaf wordt gesproken van:
a. wettelijke bijslag, wordt bedoeld de bijslag, verleend ingevolge de Wet tot aanvulling der ongevallenrenten en de Wet van 10 oktober 1962, Stb. 394, tot tijdelijke verdere verhoging van ongevalsuitkeringen in verbinding met - indien de bijslag wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;
b. een rente ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, wordt bedoeld een rente, toegekend anders dan in verband met het bepaalde bij artikel 87 der Ongevallenwet 1921 onderscheidenlijk artikel 99 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 in verbinding met - indien de rente wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - de Liquidatiewet ongevallenwetten;
c. een uitkering ingevolge de Zeeongevallenwet 1919 - indien de uitkering wordt verleend over tijdvakken, gelegen na de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in werking is getreden - wordt bedoeld een uitkering ingevolge eerstgenoemde wet in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten.
3. Wanneer een weduwe in het genot is van een weduwenpensioen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, der Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt de door een eigen of daarmede, ingevolge artikel 10 der Algemene Weduwen- en Wezenwet, gelijkgesteld kind genoten rente of uitkering als bedoeld in artikel 19, onder 2°, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2°, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919 alsmede de op die rente of uitkering genoten wettelijke bijslag voor de toepassing van het eerste lid geacht door de weduwe op grond van de genoemde artikelen te zijn genoten.