BWBR0002232
Geldig vanaf 1956-09-13
Artikel 3
Besluit mobilisatievrijstelling reserve-personeel
1. Onze Minister is gemachtigd geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden aan hen, die behoren tot het personeel en die:
a. een zodanige functie hetzij in overheids- of semi-overheidsdienst, hetzij in particuliere dienst bekleden, dat naar het oordeel van Onze Minister het in het belang van het landsbestuur of de voorziening in de behoeften van de Nederlandse volkshuishouding noodzakelijk moet worden geacht, dat zij ook in geval van buitengewone omstandigheden in die functie werkzaam blijven;
b. een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt bekleden dan wel daartoe worden opgeleid;
c. met inachtneming van de door Onze Minister ter zake gestelde of te stellen bepalingen zich in het buitenland vestigen, dan wel voor een verblijf van langer dan een jaar buitenslands vertoeven.
2. Indien Onze Minister zulks in het belang van de krijgsmacht noodzakelijk acht, kan een op grond van dit artikel verleende vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden door Onze Minister worden ingetrokken.
a. een zodanige functie hetzij in overheids- of semi-overheidsdienst, hetzij in particuliere dienst bekleden, dat naar het oordeel van Onze Minister het in het belang van het landsbestuur of de voorziening in de behoeften van de Nederlandse volkshuishouding noodzakelijk moet worden geacht, dat zij ook in geval van buitengewone omstandigheden in die functie werkzaam blijven;
b. een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt bekleden dan wel daartoe worden opgeleid;
c. met inachtneming van de door Onze Minister ter zake gestelde of te stellen bepalingen zich in het buitenland vestigen, dan wel voor een verblijf van langer dan een jaar buitenslands vertoeven.
2. Indien Onze Minister zulks in het belang van de krijgsmacht noodzakelijk acht, kan een op grond van dit artikel verleende vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden door Onze Minister worden ingetrokken.