BWBR0002232
Geldig vanaf 1956-09-13
Artikel 2
Besluit mobilisatievrijstelling reserve-personeel
1. Aan hem, die tot het personeel behoort en die:
a. de hoedanigheid bezit van: 1. minister;
2. staatssecretaris;
3. vice-president van de Raad van State;
4. directeur van het Kabinet der Koningin;
5. commissaris der Koningin;
6. lid van de Staten-Generaal;
7. lid van de Raad van State;
8. lid van de Algemene Rekenkamer;
9. secretaris-generaal van een ministerieel departement;
10. thesaurier-generaal bij het Ministerie van Financiën;
11. lid van Gedeputeerde Staten;
12. landdrost;
13. gemeentesecretaris;
14. ambtenaar in Nederlandse buitenlandse dienst;
15. ambtenaar van de rijks- of gemeentelijke politie, voor zover hij daarbij een officiersrang of overeenkomstige rang bekleedt en wiens werkkring uitsluitend tot het politiewezen beperkt is; of
1. minister;
2. staatssecretaris;
3. vice-president van de Raad van State;
4. directeur van het Kabinet der Koningin;
5. commissaris der Koningin;
6. lid van de Staten-Generaal;
7. lid van de Raad van State;
8. lid van de Algemene Rekenkamer;
9. secretaris-generaal van een ministerieel departement;
10. thesaurier-generaal bij het Ministerie van Financiën;
11. lid van Gedeputeerde Staten;
12. landdrost;
13. gemeentesecretaris;
14. ambtenaar in Nederlandse buitenlandse dienst;
15. ambtenaar van de rijks- of gemeentelijke politie, voor zover hij daarbij een officiersrang of overeenkomstige rang bekleedt en wiens werkkring uitsluitend tot het politiewezen beperkt is;
b. werkzaam is bij of verbonden is aan een internationale organisatie, welke krachtens een overeenkomst, welke door de Nederlandse regering is gesloten of tot welke de Nederlandse regering is toegetreden, in het leven is geroepen, indien hij behoort tot de functionarissen van die organisatie, die krachtens de bepalingen van die overeenkomst vrijgesteld dienen te zijn van nationale militaire verplichtingen;
zal door Onze Minister vrijstelling worden verleend van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden.
2. Onze Minister is gemachtigd de in het voorgaande lid bedoelde vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden niet te verlenen of, indien de vrijstelling reeds is verleend, deze in te trekken, indien het een militair betreft met een hoedanigheid als vermeld in het voorgaande lid, punt a, onder nummer 13, 14 of 15, die in de krijgsmacht in geval van buitengewone omstandigheden voor een zodanige functie is of wordt bestemd, dat ten aanzien van de opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden van die militair het belang van de krijgsmacht naar het oordeel van Onze Minister voorrang dient te hebben boven het belang van de dienst, waarbij de militair als burger werkzaam is.
a. de hoedanigheid bezit van: 1. minister;
2. staatssecretaris;
3. vice-president van de Raad van State;
4. directeur van het Kabinet der Koningin;
5. commissaris der Koningin;
6. lid van de Staten-Generaal;
7. lid van de Raad van State;
8. lid van de Algemene Rekenkamer;
9. secretaris-generaal van een ministerieel departement;
10. thesaurier-generaal bij het Ministerie van Financiën;
11. lid van Gedeputeerde Staten;
12. landdrost;
13. gemeentesecretaris;
14. ambtenaar in Nederlandse buitenlandse dienst;
15. ambtenaar van de rijks- of gemeentelijke politie, voor zover hij daarbij een officiersrang of overeenkomstige rang bekleedt en wiens werkkring uitsluitend tot het politiewezen beperkt is; of
1. minister;
2. staatssecretaris;
3. vice-president van de Raad van State;
4. directeur van het Kabinet der Koningin;
5. commissaris der Koningin;
6. lid van de Staten-Generaal;
7. lid van de Raad van State;
8. lid van de Algemene Rekenkamer;
9. secretaris-generaal van een ministerieel departement;
10. thesaurier-generaal bij het Ministerie van Financiën;
11. lid van Gedeputeerde Staten;
12. landdrost;
13. gemeentesecretaris;
14. ambtenaar in Nederlandse buitenlandse dienst;
15. ambtenaar van de rijks- of gemeentelijke politie, voor zover hij daarbij een officiersrang of overeenkomstige rang bekleedt en wiens werkkring uitsluitend tot het politiewezen beperkt is;
b. werkzaam is bij of verbonden is aan een internationale organisatie, welke krachtens een overeenkomst, welke door de Nederlandse regering is gesloten of tot welke de Nederlandse regering is toegetreden, in het leven is geroepen, indien hij behoort tot de functionarissen van die organisatie, die krachtens de bepalingen van die overeenkomst vrijgesteld dienen te zijn van nationale militaire verplichtingen;
zal door Onze Minister vrijstelling worden verleend van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden.
2. Onze Minister is gemachtigd de in het voorgaande lid bedoelde vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden niet te verlenen of, indien de vrijstelling reeds is verleend, deze in te trekken, indien het een militair betreft met een hoedanigheid als vermeld in het voorgaande lid, punt a, onder nummer 13, 14 of 15, die in de krijgsmacht in geval van buitengewone omstandigheden voor een zodanige functie is of wordt bestemd, dat ten aanzien van de opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden van die militair het belang van de krijgsmacht naar het oordeel van Onze Minister voorrang dient te hebben boven het belang van de dienst, waarbij de militair als burger werkzaam is.