BWBR0002211
Geldig vanaf 1956-09-15
Artikel 3
Instellingsbesluit Bedrijfschap Lederwarenindustrie
1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:
a. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden en daarmede verband houdende aangelegenheden;
b. de administratie ten behoeve van de berekening van de kostprijs;
c. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
d. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
e. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
f. de inzage van boeken en bescheiden en de bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen, voor zover nodig voor het uitoefenen van toezicht op de naleving van verordeningen van het bedrijfschap of voor het verkrijgen van gegevens, welke in strijd met zodanige verordening niet zijn verstrekt.
2. Verordeningen betreffende het in het eerste lid, onder a, genoemde onderwerp worden niet vastgesteld, dan nadat een door het bestuur van het bedrijfschap in te stellen commissie in de gelegenheid is gesteld over het ontwerp der verordening van advies te dienen. Tenminste één maand voor de instelling van de commissie maakt het bestuur zijn voornemen daartoe bekend in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie. Het bestuur draagt zorg, dat de handel, voor zover bij de voorgenomen regeling betrokken, mede in de commissie is vertegenwoordigd. Van afwijkende gevoelens van een minderheid in de commissie wordt in het advies desverlangd melding gemaakt. Bij het inzenden van een verordening ter goedkeuring wordt het advies overgelegd.
3. De overlating van de regeling of nadere regeling van het in het eerste lid, onder c, genoemde onderwerp of van onderdelen daarvan neemt eerst een aanvang op een door de Sociaal-Economische Raad te bepalen en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie bekend te maken tijdstip, doch uiterlijk vier jaren na het in werking treden van het onderhavige besluit. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap.
a. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden en daarmede verband houdende aangelegenheden;
b. de administratie ten behoeve van de berekening van de kostprijs;
c. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
d. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
e. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
f. de inzage van boeken en bescheiden en de bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen, voor zover nodig voor het uitoefenen van toezicht op de naleving van verordeningen van het bedrijfschap of voor het verkrijgen van gegevens, welke in strijd met zodanige verordening niet zijn verstrekt.
2. Verordeningen betreffende het in het eerste lid, onder a, genoemde onderwerp worden niet vastgesteld, dan nadat een door het bestuur van het bedrijfschap in te stellen commissie in de gelegenheid is gesteld over het ontwerp der verordening van advies te dienen. Tenminste één maand voor de instelling van de commissie maakt het bestuur zijn voornemen daartoe bekend in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie. Het bestuur draagt zorg, dat de handel, voor zover bij de voorgenomen regeling betrokken, mede in de commissie is vertegenwoordigd. Van afwijkende gevoelens van een minderheid in de commissie wordt in het advies desverlangd melding gemaakt. Bij het inzenden van een verordening ter goedkeuring wordt het advies overgelegd.
3. De overlating van de regeling of nadere regeling van het in het eerste lid, onder c, genoemde onderwerp of van onderdelen daarvan neemt eerst een aanvang op een door de Sociaal-Economische Raad te bepalen en in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie bekend te maken tijdstip, doch uiterlijk vier jaren na het in werking treden van het onderhavige besluit. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap.